ECLI:NL:CRVB:2014:1842
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na vrijwillig vertrek
Appellant was sinds mei 2010 in dienst als advocaat-stagiaire bij een kantoor en sloot in september 2011 een vaststellingsovereenkomst waarin hij per 1 juli 2012 uit dienst zou treden met behoud van loon en een beëindigingsvergoeding bij vervroegd vertrek. Eind november 2011 besloot appellant echter voortijdig uit dienst te treden en ontving de vergoeding.
Appellant vroeg een WW-uitkering aan, maar het UWV weigerde deze omdat hij verwijtbaar werkloos was geworden door zelf het dienstverband voortijdig te beëindigen zonder dat er sprake was van omstandigheden die voortzetting redelijkerwijs onmogelijk maakten. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.
Appellant stelde dat het initiatief tot beëindiging van het dienstverband bij de werkgever lag en dat hij vanwege onethisch handelen van zijn patroon en schorsing niet kon blijven. De Raad oordeelde echter dat appellant met behoud van loon was vrijgesteld van werkzaamheden en geen uitzicht had op ander werk, maar dat dit geen reden was om het dienstverband voortijdig te beëindigen.
De Raad concludeerde dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en dat er geen omstandigheden waren die dit verwijt konden wegnemen. Het hoger beroep werd afgewezen en de weigering van de WW-uitkering gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na vrijwillige beëindiging van het dienstverband.