ECLI:NL:CRVB:2014:1760

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 mei 2014
Publicatiedatum
22 mei 2014
Zaaknummer
12-1246 AWBZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 4 AWBZArt. 2 Bijdragebesluit zorgArt. 3 Bijdragebesluit zorgArt. 13 EVRM
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging eigen bijdrage AWBZ ondanks klachten over zorgkwaliteit tijdens opname

Appellant is sinds 2009 opgenomen in een psychiatrische zorginstelling en beschikt over een indicatiebesluit van het CIZ voor zorg met verblijf op grond van de AWBZ. Het CAK stelde een eigen bijdrage vast vanaf 1 januari 2011 en verklaarde het bezwaar van appellant hiertegen ongegrond. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond.

Appellant voerde aan dat hij niet de behandeling had ontvangen die hij had moeten krijgen en dat hem een daadwerkelijk rechtsmiddel was onthouden in strijd met artikel 13 EVRM Pro. De Raad overwoog dat het CAK op grond van de AWBZ en het Bijdragebesluit verplicht is een eigen bijdrage te heffen indien een indicatiebesluit is afgegeven, tenzij sprake is van een uitzonderingssituatie. Appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij de geïndiceerde zorg niet heeft ontvangen.

Daarnaast is geoordeeld dat appellant wel degelijk zijn gronden in twee instanties heeft kunnen voorleggen en gebruik kon maken van tuchtrechtelijke procedures, zodat geen schending van artikel 13 EVRM Pro is vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het bestreden besluit en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het CAK tot vaststelling van de eigen bijdrage en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

12/1246 AWBZ
Datum uitspraak: 16 mei 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van
21 februari 2012, 11/858 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)

CAK

PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
CAK heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2014. Appellant is verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.W.M. Boelee.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant is sinds 2009 opgenomen in een psychiatrische zorginstelling. Bij besluit van 15 juli 2010 heeft het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) appellant in verband met deze opname geïndiceerd voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor de functie zorg met verblijf.
1.2.
Bij besluit van 7 januari 2011 heeft CAK de eigen bijdrage voor appellant vastgesteld voor zorg met verblijf op € 761,06 per maand met ingang van 1 januari 2011.
1.3.
Bij besluit van 23 februari 2011 (bestreden besluit) heeft CAK het tegen het besluit van
7 januari 2011 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan heeft CAK, voor zover van belang, ten grondslag gelegd dat CAK gehouden is om een eigen bijdrage vast te stellen als een betrokkene beschikt over een indicatiebesluit voor zorg op grond van de AWBZ, zoals in het geval van appellant. Voor zover appellant klachten heeft over de kwaliteit van de aan hem verleende zorg, dient hij zich tot de zorginstelling of het zorgkantoor te wenden.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat CAK geen eigen bijdrage aan appellant heeft mogen opleggen.
3.
Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellant heeft de verschuldigdheid van de eigen bijdrage bestreden omdat hij tijdens zijn opname niet de behandeling heeft ontvangen die hij had moeten krijgen.
4.2.
Blijkens artikel 6, vierde lid, van de AWBZ kan bij algemene maatregel van bestuur als voorwaarde voor het verkrijgen van een verstrekking worden gesteld, dat de verzekerde bijdraagt in de kosten daarvan. Artikel 2, eerste lid, van de desbetreffende algemene maatregel van bestuur, het Bijdragebesluit zorg (Bijdragebesluit), bepaalt dat de verzekerde van 18 jaar of ouder bijdraagt in de kosten van de zorg, verleend door een instelling. Hij is deze bijdrage, die wordt vastgesteld volgens de in het Bijdragebesluit gegeven regels van dwingendrechtelijke aard, volgens artikel 3, eerste lid, van het Bijdragebesluit, verschuldigd aan CAK.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak is CAK op grond van deze bepalingen gehouden in verband met verblijf in een instelling van de betrokkene een eigen bijdrage te heffen overeenkomstig hetgeen dwingendrechtelijk is voorgeschreven in het Bijdragebesluit. Dit leidt alleen uitzondering indien de verleende zorg zich niet kan kwalificeren als zorg waarop de verzekerde overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de AWBZ recht heeft. Het ligt op de weg van de verzekerde die zich op deze uitzondering wenst te beroepen, om deugdelijk en met verifieerbare gegevens te onderbouwen dat van een dergelijke uitzonderingssituatie sprake is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 11 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH7712).
4.4.
Vaststaat dat de door appellant bedoelde behandeling is geïndiceerd door CIZ als onderdeel van een zorgzwaartepakket (zzp) voor de functie zorg met verblijf. Appellant heeft onvoldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt dat hij de door hem bedoelde zorg niet heeft ontvangen dan wel dat deze zich niet kwalificeert als zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de AWBZ. Die onderbouwing kan in ieder geval niet worden gevonden in de klachtprocedures die appellant heeft gevoerd bij het Regionaal Tuchtcollege Zwolle tegen sociaal geriater O.B.M. Fritschy. De uitkomsten van deze procedures bevestigen immers het standpunt van appellant niet. Nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat van een uitzonderingssituatie sprake is, kan zijn beroepsgrond geen doel treffen.
4.5.
Appellant heeft verder een beroep gedaan op artikel 13 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en aangevoerd dat hem een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in dit artikel is onthouden.
4.6.
In artikel 13 van Pro het EVRM is bepaald, voor zover hier van belang, dat een ieder wiens rechten en vrijheden die in dit verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie. Artikel 13 van Pro het EVRM staat niet los van de in het EVRM verzekerde verdragsrechten. Appellant heeft voor zijn beroep op de schending van artikel 13 van Pro het EVRM geen verband gelegd met één van de andere in het EVRM verankerde rechten of vrijheden. Voor zover die samenhang met een van die verdragsrechten wel zou moeten worden aangenomen, is niet gebleken dat appellant inzake de oplegging van de eigen bijdrage door CAK of met betrekking tot zijn standpunt over het ontbreken van behandeling tijdens zijn opname, een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van Pro het EVRM is onthouden. Appellant heeft immers in twee instanties zijn gronden tegen het bestreden besluit naar voren kunnen brengen en daarnaast heeft appellant gebruik kunnen maken van de rechtsmiddelen die hem worden geboden in het kader van het tuchtrecht. Deze grond slaagt dan ook niet.
4.7.
De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en
M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2014.
(getekend) W.H. Bel
(getekend) E. Heemsbergen
IvR