ECLI:NL:CRVB:2014:1758

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 mei 2014
Publicatiedatum
22 mei 2014
Zaaknummer
11-7310 WMO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 AwbVerordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens termijnoverschrijding ondanks medische omstandigheden

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om haar persoonsgebonden budget (pgb) voor hulp bij het huishouden in te trekken en om te zetten in zorg in natura. Dit bezwaar werd echter na de wettelijke termijn van zes weken ingediend, waarna het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij door medische omstandigheden niet tijdig bezwaar kon maken.

In hoger beroep stelde appellante dat haar termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege ernstige gezondheidsproblemen, waaronder een depressie, hartklachten en andere aandoeningen, ondersteund door medische verklaringen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij gedurende de bezwaartermijn niet in staat was om hulp in te schakelen om tijdig bezwaar te maken.

De Raad benadrukte dat, ook bij medische beperkingen, van een persoon mag worden verlangd dat hij of zij voorzieningen treft, bijvoorbeeld door derden in te schakelen, om de risico's van termijnoverschrijding te voorkomen. Het feit dat appellante was verhuisd en geen beroep kon doen op haar zus als zorgverleenster was onvoldoende om de termijnoverschrijding te rechtvaardigen.

Daarom werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar bevestigd wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

11/7310 WMO
Datum uitspraak: 16 mei 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
1 november 2011, 11/3566 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken overgelegd.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2014. Namens appellante is verschenen mr. E.E. Dirks, die waarnam voor mr. Van der Wal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Smit.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 22 oktober 2010 heeft het college met toepassing van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning het aan appellante voor 2009 toegekende persoonsgebonden budget (pgb) voor hulp bij het huishouden ingetrokken en het uitbetaalde pgb van € 3.096,- teruggevorderd. Voorts heeft het college bepaald dat het pgb met ingang van 1 januari 2011 wordt omgezet in zorg in natura.
1.2.
Bij brief van 27 april 2011, bij het college ingekomen op 2 mei 2011, heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 oktober 2010.
1.3.
Het college heeft bij besluit van 22 juni 2011 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift na afloop van de wettelijke bezwaartermijn van zes weken is ingediend en de overschrijding van die termijn niet verschoonbaar is.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante niet aan de hand van objectieve medische gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet in staat was tijdig bezwaar in te dienen. Ook bij ziekte was het haar verantwoordelijkheid om haar post bij te houden en tijdig bezwaar te maken of om daarvoor hulp in te schakelen.
3.
Appellante stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Zij heeft vanaf halverwege 2010 ernstige gezondheidsproblemen, bestaande uit een depressie en hartklachten, waarvoor zij in maart 2011 is geopereerd. Ter onderbouwing van haar overige gezondheidsproblemen heeft appellante een verklaring van
7 december 2010 overgelegd van haar diëtist, die vermeldt dat appellante lijdt aan diabetes mellitus, hypertensie, chronische pancreatitis en de ziekte van Crohn. Voorts heeft zij een brief van 16 september 2009 overgelegd van MEE Amstel en Zaan, waaruit naar voren komt dat haar zoon een verstandelijke beperking en PDD-NOS heeft en constante begeleiding nodig heeft.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift tegen het besluit van 22 oktober 2010 na afloop van de bezwaartermijn is ingediend.
4.2.
Ingevolge artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van
15 april 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1579) moet van een persoon die als gevolg van medische omstandigheden beperkingen ondervindt zoals door appellante aangegeven, worden verlangd dat hij of zij - bijvoorbeeld door het inschakelen van derden - voorzieningen treft om de daaraan verbonden risico’s te ondervangen. De rechtbank heeft dit uitgangspunt terecht aan zijn beoordeling ten grondslag gelegd.
4.4.
De in hoger beroep door appellante overgelegde verklaringen leiden niet tot een ander oordeel dan de rechtbank heeft gegeven. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij gedurende de bezwaartermijn op grond van medische omstandigheden niet in staat kon worden geacht om de benodigde hulp in te schakelen. Dat zij toen net was verhuisd naar Amsterdam en dat zij voor het behandelen van de post geen beroep kon doen op haar zus, die haar zorgverleenster was, is daartoe onvoldoende.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5.Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en
M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2014.
(getekend) W.H. Bel
(getekend) E. Heemsbergen

JL