ECLI:NL:CRVB:2014:1665
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering te veel ontvangen WAO-uitkering
Appellante ontving vanaf 1999 een WAO-uitkering, waarvan de hoogte in de loop der jaren meerdere malen werd aangepast. In 2005 werd de uitkering herzien naar een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Later bleek dat appellante in de periode van 1 februari 2005 tot en met 30 november 2009 ten onrechte dubbele WAO-uitkeringen ontving.
Het UWV schortte de betaling op en vorderde het te veel ontvangen bedrag terug, waarbij het beroep van appellante tegen deze terugvordering door de rechtbank werd afgewezen. In hoger beroep stelde appellante dat het haar niet redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat zij teveel ontving en dat zij niet verantwoordelijk was voor de fouten van het UWV.
De Raad oordeelde dat de door appellante ontvangen netto betalingen de toegekende bruto-uitkering te boven gingen, waardoor het haar redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat er sprake was van een te hoge uitkering. Er was geen sprake van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige schriftelijke toezegging van het UWV die een beroep op het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel zou rechtvaardigen. Ook was geen dringende reden voor kwijtschelding van de terugvordering gesteld. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van het te veel ontvangen WAO-uitkeringsbedrag en wijst het hoger beroep af.