ECLI:NL:CRVB:2014:1607
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding volgens WWB
Appellante werd door het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal aangesproken voor de terugvordering van bijstand en langdurigheidstoeslag die aan A was verleend. Het college stelde dat A en appellante vanaf 1 april 2009 een gezamenlijke huishouding voerden, waardoor A ten onrechte bijstand ontving als alleenstaande.
De sociale recherche voerde een onderzoek uit, inclusief dossieronderzoek, observaties en verhoren, wat leidde tot het besluit tot intrekking van de bijstand aan A en terugvordering van de kosten. Tevens werd appellante mede aansprakelijk gesteld voor de terugvordering wegens de gezamenlijke huishouding. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde.
De Raad overwoog dat de onderzoeksbevindingen, waaronder verklaringen van appellante zelf, voldoende waren om de gezamenlijke huishouding vast te stellen. Tevens werd benadrukt dat wederzijdse zorg niet in gelijke mate hoeft te zijn. Omdat A zijn inlichtingenverplichting niet was nagekomen, was het college bevoegd om de terugvordering mede op appellante te baseren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand en langdurigheidstoeslag bevestigd.