ECLI:NL:CRVB:2014:1548
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over laattijdige Wajong-aanvraag en noodzaak medisch onderzoek
Appellante diende in 2009 een Wajong-uitkering aan vanwege gezondheidsproblemen, welke aanvankelijk werd geweigerd omdat zij niet 52 weken arbeidsongeschikt was. Na een tweede aanvraag in 2010, die het UWV als verzoek tot terugkomen op het eerdere besluit opvatte, werd dit verzoek afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De rechtbank bevestigde dit oordeel.
In hoger beroep stelde appellante dat het UWV ook haar aanvraag op grond van de per 1 januari 2010 gewijzigde Wet Wajong had moeten beoordelen en dat een nader medisch onderzoek noodzakelijk was. De Raad stelde vast dat het UWV uitsluitend een arbeidskundig onderzoek had verricht en dat het afzien van een medisch onderzoek in strijd is met wettelijke bepalingen die een verzekeringsgeneeskundig onderzoek voorschrijven.
De Raad concludeerde dat het besluit van 1 november 2013 niet deugdelijk was gemotiveerd en droeg het UWV op binnen zes weken de gebreken te herstellen. Deze tussenuitspraak benadrukt het belang van een volledig onderzoek bij laattijdige Wajong-aanvragen.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen binnen zes weken het besluit te herstellen wegens het ontbreken van een deugdelijk medisch onderzoek.