ECLI:NL:CRVB:2014:1478
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving sinds 1992 bijstand op grond van de WWB. In 2011 kwam bij de gemeente Amsterdam een melding binnen dat appellante onroerend goed in Kroatië bezat, huurinkomsten ontving en werkzaamheden verrichtte die zij niet had gemeld. De sociale recherche stelde een onderzoek in, waarna het college de bijstand met terugwerkende kracht introk en de kosten van bijstand terugvorderde.
De rechtbank Amsterdam verklaarde de beroepen van appellante tegen deze besluiten ongegrond, oordeelde dat zij de inlichtingenverplichting had geschonden en dat het recht op bijstand daardoor niet kon worden vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij het college volledig had geïnformeerd en dat de verklaringen in Kroatië onjuist waren, en stelde dat het terugvorderingsbedrag een dringende reden vormde om van terugvordering af te zien.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank, wees het verweer van appellante af en vond geen aanleiding om de in Kroatië afgelegde verklaring buiten beschouwing te laten. Ook oordeelde de Raad dat de financiële situatie van appellante geen dringende reden vormde om van terugvordering af te zien. De aangevallen uitspraken werden bevestigd en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand aan appellante worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting.