ECLI:NL:CRVB:2014:1419
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde middelen en gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand als alleenstaande ouder en werd door het college van burgemeester en wethouders van Enschede geconfronteerd met een besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand over meerdere periodes vanwege het niet melden van financiële middelen en het voeren van een gezamenlijke huishouding met C. Uit onderzoek van de sociale recherche bleek dat appellant aanzienlijke kasstortingen en contante betalingen had gedaan zonder aannemelijk te maken waar deze middelen vandaan kwamen.
Het college stelde dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden en dat sprake was van een gezamenlijke huishouding met C, wat gevolgen had voor de bijstandsverlening. De Raad oordeelde dat er onvoldoende feitelijke grondslag was om te concluderen dat appellant en C een gezamenlijke huishouding voerden, mede vanwege tegenstrijdige en onvoldoende concrete getuigenverklaringen.
Verder kon niet worden vastgesteld dat appellant over de periode van 4 oktober 2000 tot 1 december 2000 beschikte over niet gemelde middelen. De Raad vernietigde daarom het besluit voor deze periode en de terugvordering, en bepaalde dat het college een nieuw besluit moet nemen. Tevens werd het college veroordeeld in de kosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd voor de periode 4 oktober 2000 tot en met 30 november 2000 en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.