Uitspraak
rses, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Centrale Raad van Beroep
Appellanten ontvingen bijstand en inkomensvoorziening, maar het college trok deze met terugwerkende kracht in per besluiten van 21 februari 2011 en vorderde ten onrechte betaalde bedragen terug. Appellanten verzochten later om herziening en toekenning van uitkering met terugwerkende kracht tot 6 december 2010.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het afwijzende besluit van het college ongegrond, omdat geen nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden waren aangevoerd en het vertrouwensbeginsel niet was geschonden. In hoger beroep voerden appellanten aan dat bijzondere omstandigheden en een telefonische toezegging van het college rechtvaardigen dat zij alsnog met terugwerkende kracht uitkering ontvangen.
De Raad oordeelt dat voor de periode waarin al besluitvorming heeft plaatsgevonden alleen terugkomen op besluiten mogelijk is bij nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, die appellanten niet hebben aangetoond. Voor de periode voorafgaand aan de aanvraag geldt het uitgangspunt dat geen uitkering wordt verleend, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen, wat hier niet het geval is. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen ondubbelzinnige toezegging is gedaan.
De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college niet hoeft terug te komen op eerdere besluiten en wijst het hoger beroep af.