ECLI:NL:CRVB:2014:1357
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet voldoen aan wekeneis bij gastouderwerk
Appellante was van november 2010 tot en met juli 2011 werkzaam als gastouder via een gastouderbureau en trad vervolgens in dienst bij een werkgever, waar zij na de proeftijd werd ontslagen. Zij vroeg een WW-uitkering aan, maar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde deze omdat zij in de 36 weken voorafgaand aan haar werkloosheid niet in ten minste 26 weken had gewerkt. De weken als gastouder werden buiten beschouwing gelaten omdat er sprake was van een bemiddelingsovereenkomst zonder gezagsverhouding, waardoor geen arbeidsovereenkomst bestond.
Appellante maakte bezwaar tegen deze beslissing, dat door het Uwv werd afgewezen. De rechtbank Amsterdam bevestigde het standpunt van het Uwv en verwees naar een ministeriële regeling die gastouderwerk expliciet uitsluit van de verzekeringsplicht. In hoger beroep beperkte appellante haar gronden tot een beroep op artikel 8 EVRM Pro (recht op privéleven) en artikel 14 EVRM Pro (gelijkheidsbeginsel).
De Raad oordeelde dat appellante niet heeft onderbouwd op welke wijze de uitsluiting inbreuk maakt op haar privéleven en dat er geen sprake is van ongelijke behandeling, omdat de uitsluiting geldt voor alle gastouders die via een bureau werken en de situatie niet vergelijkbaar is met andere werknemers. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering omdat de werkzaamheden als gastouder niet meetellen voor de wekeneis.