ECLI:NL:CRVB:2014:1233
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.M. Overbeeke
- G.M.G. Hink
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging inkomensvoorziening wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ) naar de norm voor een alleenstaande. Het college stelde na onderzoek dat appellante en [B.] een gezamenlijke huishouding voerden en beëindigde daarop de inkomensvoorziening met ingang van 1 september 2011. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het voeren van een gezamenlijke huishouding op zichzelf niet betekent dat appellante geen recht heeft op een inkomensvoorziening naar de norm voor een alleenstaande. Het college heeft ten onrechte de gezamenlijke huishouding als grondslag genomen voor het beëindigen van de voorziening.
De Raad stelt vast dat appellante en [B.] weliswaar een gezamenlijke huishouding voerden, maar dat dit niet automatisch het recht op een inkomensvoorziening uitsluit. De motieven en aard van de relatie zijn niet relevant; het gaat om objectieve criteria zoals het delen van kosten en zorg voor elkaar. Het college heeft het besluit van 1 juni 2011 onterecht gehandhaafd en dit besluit wordt daarom vernietigd en herroepen.
De Raad veroordeelt het college tevens in de kosten van appellante en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep wordt gegrond verklaard.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de inkomensvoorziening wordt vernietigd en herroepen, en het beroep van appellante wordt gegrond verklaard.