ECLI:NL:CRVB:2014:1114
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding bij AOW-pensioen
Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen beslissingen van de Sociale verzekeringsbank (Svb) over hun AOW-pensioen, waarbij zij vanaf maart 2006 als samenwonenden werden aangemerkt en terugvorderingen en boetes werden opgelegd. De bezwaarschriften werden echter niet tijdig ingediend volgens de Svb, die de bezwaren niet-ontvankelijk verklaarde wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, stellende dat de bezwaartermijn niet verschoonbaar was overschreden. In hoger beroep voerden appellanten aan dat zij eerder bezwaar hadden gemaakt en dat de bezwaartermijn niet duidelijk was vermeld. Ter onderbouwing werden brieven overgelegd die echter niet aangetekend waren en niet door de Svb waren ontvangen.
De Raad oordeelde dat het voor rekening en risico van de verzender is als gewone post niet aankomt en dat de verklaring van een medewerker die de brieven opstelde onvoldoende onafhankelijk bewijs vormt. Ook was er geen voortvarende reactie van appellanten op het uitblijven van ontvangstbevestiging. De overschrijding van de termijn werd daarom niet verschoonbaar geacht.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraken en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.