ECLI:NL:CRVB:2014:1085

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 april 2014
Publicatiedatum
2 april 2014
Zaaknummer
10-7084 TW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering nieuw besluit inzake invordering en WAO-uitkering

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een besluit van het UWV waarin werd geweigerd een nieuw besluit te nemen over de invordering van terug te betalen bedragen en waarin alsnog werd beslist over de rechten op een WAO-uitkering voor de periode 1 januari 2003 tot 13 mei 2004.

De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard. In hoger beroep handhaafde het UWV dat reeds eerder besluiten waren genomen over de invordering, en dat er geen reden was om daarop terug te komen. Het UWV gaf daarnaast een gedetailleerde uiteenzetting van de wijzigingen in de uitkeringssituatie van appellant vanaf 1 augustus 1998.

De Raad sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank en het standpunt van het UWV, dat geen aanleiding bestaat om eerdere besluiten te herroepen. De uitgebreide correspondentie van het UWV bood geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

10/7084 TW
Datum uitspraak: 2 april 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van
22 november 2010, 09/2912 en 09/2913 (aangevallen uitspraak), voor zover de aangevallen uitspraak ziet op de zaak 09/2913
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Elfferich-van der Woude hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft - gevoegd met het geding onder nummer 10/7083 WAO - plaatsgevonden op 31 augustus 2012. Na de zitting is de behandeling van de zaken gesplitst en is het onderzoek heropend.
Partijen hebben hun standpunten nader schriftelijk uiteengezet.
Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 19 februari 2014. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. F.H.M.A. Swarts.

OVERWEGINGEN

1.1.Voor een overzicht van de van belang zijnde feiten verwijst de Raad allereerst naar de uitspraak van de Raad van 19 december 2013 in de afgesplitste zaak met nummer 10/7083 (ECLI:NL:CRVB:2013:2987). Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
1.2. Bij beslissing op bezwaar van 26 november 2009 (bestreden besluit) tegen het uitblijven van een beslissing heeft het Uwv, met verwijzing naar eerder genomen besluiten over de wijze van invordering, geweigerd een nieuw besluit te nemen over de invordering van door appellant terug te betalen bedragen. Voorts is bij het bestreden besluit alsnog beslist over de rechten van appellant op een WAO-uitkering over de periode 1 januari 2003 tot 13 mei 2004.
2.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant herhaald dat het Uwv ten onrechte heeft nagelaten specificaties te verstrekken van de reeds ingehouden bedragen.
3.2.
Het Uwv heeft zijn standpunt gehandhaafd dat aan appellant bij in ieder geval de besluiten van 27 november 2007 en 11 februari 2008 beslissingen zijn genomen over de invordering van de van appellant teruggevorderde uitkeringen zodat er geen aanleiding is daarop terug te komen. Voorts heeft het Uwv met specifieke verwijzingen naar de in het dossier aanwezige stukken bij brief van 24 mei 2013 over de periode vanaf 1 augustus 1998 uiteengezet welke wijzigingen zich in de aanspraken van appellant op uitkering vanaf die datum hebben voorgedaan en welke gegevens en besluiten daaraan ten grondslag hebben gelegen.
4.
De Raad komt tot hetzelfde oordeel als de rechtbank in de aangevallen uitspraak en verenigt zich met het standpunt van het Uwv dat met betrekking tot de invordering geen aanleiding bestaat om op de eerder genomen besluiten terug te komen. De Raad voegt hier aan toe dat in de uitvoerige brief van het Uwv van 24 mei 2013, zoals deze nog is aangevuld bij brief van 25 juli 2013, en waarin nauwgezet en overtuigend het verloop van appellants uitkeringssituatie is weergegeven, geen aanknopingspunten zijn gelegen voor een andersluidend oordeel.
5.
Nu het hoger beroep niet slaagt, is veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk, zodat dit verzoek wordt afgewezen. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover deze ziet op de zaak 09/2913;
  • wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2014.
(getekend) J.J.T. van den Corput
(getekend) J.C. Hoogendoorn
IvR