ECLI:NL:CRVB:2014:1049
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand op grond van verblijfstitel in WWB
Appellant, afkomstig uit Irak, had sinds 2009 bijstand ontvangen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na afwijzing van zijn aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en het verlenen van uitstel van vertrek, beëindigde het college zijn bijstandsuitkering omdat hij niet langer beschikte over een verblijfstitel die recht gaf op bijstand.
Appellant diende een nieuwe aanvraag in voor bijstand met ingang van 1 april 2011, die door het college werd afgewezen omdat hij niet tot de kring van WWB-rechthebbenden behoorde. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, wat door appellant werd bestreden in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
Appellant voerde aan dat zijn gezondheidstoestand en het belang van huisvesting in zijn eigen woning medische noodzaak vormden en dat het weigeren van bijstand in strijd was met artikel 3 EVRM Pro. De Raad oordeelde echter dat appellant tijdens de relevante periode niet viel onder de beschermde categorieën van artikel 16 WWB Pro en dat het college op grond daarvan terecht de bijstand had geweigerd.
De Raad verwierp ook het beroep op artikel 3 EVRM Pro, omdat er geen sprake was van onmenselijke behandeling en appellant toegang had tot sociale opvang en noodzakelijke medische zorg. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep afgewezen.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand werd afgewezen omdat appellant niet tot de kring van WWB-rechthebbenden behoort op grond van zijn verblijfstitel.