ECLI:NL:CRVB:2013:CA3218
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit medeterugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
De zaak betreft een hoger beroep tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zwolle tot medeterugvordering van bijstand op grond van het voeren van een gezamenlijke huishouding. Appellant en [B.] ontvingen beiden bijstand, waarbij het college stelde dat zij samenwoonden zonder dit te melden, wat leidde tot terugvordering.
De Raad onderzocht de feiten, waaronder verklaringen van buurtbewoners, waarnemingen, dossieronderzoek en verklaringen van partijen. Voor de periodes van 12 januari 2007 tot en met 23 mei 2007 en van 1 november 2007 tot en met 22 februari 2009 concludeerde de Raad dat onvoldoende feitelijke grondslag bestond voor het oordeel dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Hierdoor was het college niet bevoegd om de medeterugvordering te baseren op deze periodes.
Voor de periode van 4 januari 2010 tot en met 17 mei 2010 oordeelde de Raad dat wel voldoende bewijs bestond dat appellant en [B.] hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning, waardoor het besluit voor deze periode stand hield. De Raad vernietigde het besluit voor de eerdere periodes en herroept het eerdere besluit van 17 mei 2010, maar bevestigde het besluit voor de latere periode. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot medeterugvordering van bijstand wordt vernietigd voor de eerste periodes, maar bevestigd voor de periode vanaf 4 januari 2010.