ECLI:NL:CRVB:2013:CA2336
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gezamenlijke huishouding en herziening AOW-pensioen na intrekking nabestaandenuitkering
Appellante ontving vanaf 1 maart 2001 tot 1 december 2009 een nabestaandenuitkering en daarna een AOW-pensioen voor een ongehuwde. Na een anonieme tip startte de Sociale verzekeringsbank (Svb) een onderzoek naar de rechtmatigheid van haar uitkeringen, mede gebaseerd op een sociaal rechercheonderzoek naar betrokkene.
Uit het onderzoek bleek dat appellante en betrokkene vanaf 1 augustus 2009 gezamenlijk hun hoofdverblijf hadden op hetzelfde adres en zorg voor elkaar droegen, zoals gezamenlijk gebruik van woning en auto's, gezamenlijke maaltijden en wederzijdse hulp bij huishoudelijke taken. De Svb besloot daarop de nabestaandenuitkering in te trekken en het AOW-pensioen te herzien naar gehuwdenpensioen met terugvordering van te veel ontvangen bedragen.
Appellante voerde aan dat betrokkene slechts een kamer huurde en dat zij hem hielp vanwege zijn verslaving en schulden, zonder sprake van gezamenlijke huishouding. De Raad oordeelde echter dat de feitelijke situatie en zorgverhouding de grenzen van een commerciële huurrelatie overstijgt.
De Raad bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding om af te zien van terugvordering en de proceskosten worden niet toegewezen. Tevens wordt opgemerkt dat voor de periode 2006-2009 onvoldoende grond was voor gezamenlijke huishouding, hetgeen nader wordt beoordeeld in een andere procedure.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van het AOW-pensioen wordt bevestigd.