ECLI:NL:CRVB:2013:CA0785
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.J.W. Schoor
- J.S. van der Kolk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op IVA-uitkering versus WGA-uitkering bij arbeidsongeschiktheid
Werkneemster viel op 8 november 2006 uit wegens rug-, schouder- en psychische klachten. Het UWV stelde bij besluit van 24 februari 2010 vast dat zij vanaf 11 november 2009 recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering. Appellante, de werkgever, voerde bezwaar aan dat werkneemster volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en aanspraak maakte op een IVA-uitkering. De bezwaarverzekeringsarts paste de functionele mogelijkhedenlijst aan, maar onderschreef het standpunt dat er geen sprake was van duurzaamheid van de beperkingen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt, onderbouwd met medische rapporten en jurisprudentie. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid per 11 november 2009 juist was en dat de prognose van verbetering van de belastbaarheid door de bezwaarverzekeringsarts deugdelijk was. De Raad oordeelde dat het feit dat later een IVA-uitkering werd toegekend, niet betekent dat die situatie reeds op 11 november 2009 bestond.
De Raad concludeerde dat werkneemster terecht een WGA-uitkering ontving en niet de IVA-uitkering. Er waren geen aanwijzingen om het standpunt van het UWV te verwerpen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Werkneemster heeft terecht recht op een WGA-uitkering vanaf 11 november 2009 en niet op een IVA-uitkering.