ECLI:NL:CRVB:2013:CA0758
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende toename arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig productiemedewerkster, werd in 2002 arbeidsongeschikt verklaard en ontving een WAO-uitkering. Deze uitkering werd in 2005 ingetrokken wegens vermindering van arbeidsongeschiktheid tot onder 15%. Na een periode van werken en arbeidsongeschiktheid meldde zij zich in 2007 opnieuw arbeidsongeschikt. Het UWV kende haar geen WAO-uitkering toe omdat zij recht had op ziekengeld en later omdat geen sprake was van toename van arbeidsongeschiktheid volgens artikel 43a WAO.
Appellante maakte bezwaar tegen de weigering en terugvordering van voorschotten, stellende dat haar borderlineproblematiek onvoldoende was meegewogen. Zij overhandigde medische stukken waaruit stemmingswisselingen en woede-uitbarstingen blijken. Het UWV stelde dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) deze beperkingen reeds adequaat weerspiegelt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig en diepgaand was, dat de medische gegevens geen aanleiding gaven tot twijfel aan de conclusies van de verzekeringsartsen, en dat de FML voldoende rekening hield met de psychische klachten. Er was geen grond voor toekenning van een WAO-uitkering of voor het terugdraaien van de terugvordering van voorschotten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van een toename van arbeidsongeschiktheid.