ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9782
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad vernietigt maatregel verlaging WW-uitkering wegens schending hoor en wederhoor
Appellant kreeg een maatregel opgelegd door het UWV waarbij zijn WW-uitkering met 25% werd verlaagd voor vier maanden, omdat hij onvoldoende zou hebben meegewerkt aan zijn re-integratie. Het bezwaar van appellant werd aanvankelijk ongegrond verklaard, en de rechtbank verklaarde het beroep eveneens ongegrond, stellende dat appellant zonder toestemming voortijdig de werkplek had verlaten op zijn eerste stagedag.
In hoger beroep stelde appellant dat het UWV het beginsel van hoor en wederhoor had geschonden door hem niet te laten reageren op verklaringen van betrokkenen. Tevens betwistte hij dat vaststond dat hij zonder toestemming vertrok. De Centrale Raad oordeelde dat het UWV appellant inderdaad niet had gehoord over belangrijke verklaringen, wat in strijd is met artikel 7:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Verder bleek uit de verklaringen en het onderzoek dat het UWV onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant zonder toestemming voortijdig vertrok. De Centrale Raad vernietigde daarom het besluit van het UWV, herroept het eerdere besluit en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad vernietigt het besluit tot verlaging van de WW-uitkering wegens schending van het recht op hoor en wederhoor en onvoldoende bewijs.