ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8638
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering WW-uitkering bij zelfstandige na schending inlichtingenplicht
Appellant ontving vanaf januari 2005 een WW-uitkering op basis van een verlies van 36 arbeidsuren. Het UWV beëindigde de uitkering deels vanwege werkzaamheden als zelfstandige. Na een onderzoek concludeerde het UWV dat appellant vanaf januari 2006 voltijds als zelfstandige werkte en trok de uitkering in, met terugvordering van onverschuldigde betalingen.
Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen de besluiten. De rechtbank oordeelde dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden en dat hij minimaal 29 uur per week als zelfstandige werkte, maar vernietigde het besluit vanwege onvoldoende bewijs voor 36 uur. Het UWV herzag daarop het besluit, maar verrekende een bedrag abusievelijk niet met de terugvordering.
In hoger beroep stelde appellant dat het UWV de herziening had moeten toetsen aan de Handleiding herbeoordeling ZZP-dossiers, vanwege gebrekkige voorlichting over werkbriefjes. De Raad oordeelde dat het UWV het beleid consistent had toegepast en dat appellant wist dat indirecte uren van belang waren. Het beroep tegen het latere besluit werd ongegrond verklaard, maar het eerdere besluit werd vernietigd. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2012 wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen het besluit van 21 december 2010 wordt gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.