ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7327
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verjaring terugvordering toeslag na samenwoonmelding en onvoldoende onderzoek UWV
Betrokkene ontving sinds 1988 een WAO-uitkering met toeslag op grond van de Toeslagenwet, berekend als alleenstaande ouder. Op 12 augustus 2002 meldde zij schriftelijk dat zij was gaan samenwonen, maar het UWV stelde niet het voor de hand liggende onderzoek in naar haar en haar partner's inkomsten.
In 2009 ontdekte het UWV dat betrokkene vanaf 24 juli 2002 geen recht meer had op toeslag en beëindigde dit met terugwerkende kracht. Vervolgens werd in 2010 een terugvordering van ruim €26.000 ingesteld over de periode 2002-2009. Betrokkene maakte bezwaar en stelde beroep in.
De rechtbank oordeelde dat de verjaringstermijn van vijf jaar voor terugvordering begon toen het UWV bekend was met de samenwoonmelding en dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan. Hierdoor was de terugvordering voor het deel vóór 16 februari 2005 verjaard. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en vernietigde het terugvorderingsbesluit, waarbij het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen.
De Raad baseerde zich op artikel 309 Boek Pro 3 BW en vaste jurisprudentie dat de verjaringstermijn begint bij kennis van feiten die een terugvordering rechtvaardigen. Het UWV had moeten onderzoeken of betrokkene nog recht had op toeslag na de samenwoonmelding. Het niet instellen van dit onderzoek leidde tot overschrijding van de verjaringstermijn. De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van proceskosten aan betrokkene.
Uitkomst: Het terugvorderingsbesluit is vernietigd wegens verjaring en het UWV moet een nieuw besluit nemen.