ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6159
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op WW- en IOAW-uitkering bij overgangsrecht en uitkeringsduur
Appellant ontving een loongerelateerde WW-uitkering met een vervolguitkering die in 2007 inging. Na een periode van werkhervatting en beëindiging van de vervolguitkering, stelde appellant dat op grond van overgangsrecht de WW-uitkering verlengd moest worden met de resterende duur van de vervolguitkering. Tevens verzocht hij om een IOAW-uitkering, welke werd afgewezen omdat hij niet voldeed aan de vereisten.
De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard, waarbij werd aangenomen dat de maximale uitkeringsduur van drie maanden niet ter discussie stond en dat herleving van de vervolguitkering niet mogelijk was. In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank ten onrechte niet op de overgangsrechtelijke beroepsgrond was ingegaan en dat hij wel aan de voorwaarden voor IOAW voldeed.
De Raad oordeelde dat de rechtbank onjuist had geoordeeld dat de uitkeringsduur vaststond en dat de overgangsrechtelijke beroepsgrond niet was beoordeeld. De Raad vernietigde het deel van de uitspraak dat hierover geen oordeel gaf en gaf dit oordeel alsnog. Op grond van artikel 130h WW is herleving van de vervolguitkering niet mogelijk. De Raad bevestigde het oordeel dat appellant geen recht heeft op een IOAW-uitkering omdat hij niet voldoet aan het vereiste van een WW-uitkering van meer dan drie maanden.
Ten slotte veroordeelde de Raad het UWV tot betaling van proceskosten in hoger beroep. De aangevallen uitspraken werden voor het overige bevestigd.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat appellant geen recht heeft op verlenging van de WW-vervolguitkering en geen recht op IOAW-uitkering.