ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3943
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder vanaf oktober 2008. Na een onderzoek van de sociale recherche concludeerde het college dat appellante vanaf januari 2009 een gezamenlijke huishouding voerde met haar partner, hetgeen niet was gemeld. Het college trok de bijstand met ingang van 1 januari 2009 in en vorderde de teveel ontvangen bijstand terug.
Bij bezwaar werd de intrekking en terugvordering beperkt tot de periode vanaf 1 april 2009. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat het college onterecht alleen matiging toepast als beide partners bijstand ontvingen, terwijl haar partner een WAO-uitkering had die lager was dan de gehuwdennorm.
De Raad overwoog dat de partner recht had op een toeslag op zijn WAO-uitkering vanwege de gezamenlijke huishouding en dat appellante aanspraak had op fiscale tegemoetkomingen. Het gezinsinkomen overstijgt daardoor de gehuwdennorm. Het college mocht daarom redelijkerwijs de terugvordering niet matigen omdat appellante en haar partner de aanvullende rechten niet hadden benut.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering van bijstand wordt bevestigd zonder matiging.