ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3694
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en intrekking WW-uitkeringen onterecht wegens startperiode zelfstandigen
Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, herzag en trok de WW-uitkeringen van betrokkenen, zelfstandigen die een eigen bedrijf waren gestart, met terugwerkende kracht in. Betrokkenen ontvingen een startperiode waarin zij ondanks werkzaamheden als zelfstandige als werkloos werden beschouwd. De rechtbank oordeelde dat appellant ten onrechte had gehandeld en dat betrokkenen de inlichtingenplicht niet hadden geschonden.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. Betrokkenen hadden openheid van zaken gegeven over hun bedrijfsactiviteiten en de startperiode was terecht toegekend. Hierdoor was het voor betrokkenen niet duidelijk dat zij vanaf mei 2009 geen aanspraak hadden op de volledige WW-uitkeringen. De Raad vernietigt het vonnis voor zover appellant opnieuw moet beslissen over de bezwaren en herroept de besluiten van 24 en 25 november 2009.
Appellant wordt veroordeeld tot het betalen van griffierecht en proceskosten van betrokkenen. De uitspraak benadrukt dat appellant alsnog kan overgaan tot verrekening van inkomsten uit zelfstandige activiteiten met de WW-uitkering, mits betrokkenen hun inkomensgegevens verstrekken.
Uitkomst: De besluiten tot herziening en intrekking van de WW-uitkeringen worden herroepen en appellant moet opnieuw beslissen over de bezwaren.