ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1583
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking en terugvordering bijstand wegens onvoldoende bewijs niet-bewoning
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Het college stelde op basis van een onderzoek, waaronder elektriciteits- en waterverbruik en getuigenverklaringen, dat appellant vanaf 6 februari 2007 niet op het uitkeringsadres woonde. Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. Het elektriciteitsverbruik was weliswaar lager dan gemiddeld, maar onvoldoende om niet-bewoning te concluderen. Het waterverbruik was lager dan gemiddeld maar nog altijd substantieel. Getuigenverklaringen van buren die appellant niet zagen, zijn niet verenigbaar met het waterverbruik. De verklaring van een bovenbuurvrouw was inconsistent en niet doorslaggevend.
De Raad concludeert dat de combinatie van verbruikscijfers en verklaringen geen toereikende feitelijke grondslag biedt voor het besluit van het college. Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd, het eerdere besluit herroepen en het college veroordeeld in de kosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd wegens onvoldoende feitelijke grondslag.