ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1295
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht en hennepteelt
Appellant ontving vanaf augustus 2008 bijstand op grond van de WWB. Later bleek dat hij werkzaamheden verrichtte voor het bedrijf van zijn broer en betrokken was bij een hennepkwekerij, zonder dit te melden aan het college dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de WWB.
De politie trof in augustus 2009 een hennepkwekerij aan op het bedrijfsadres van het bedrijf van de broer. Uit onderzoek bleek dat appellant vanaf augustus 2008 tot augustus 2009 werkzaamheden verrichtte en hennep teelde zonder dit te melden. Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde vast dat de werkzaamheden een economische waarde hadden gelijk aan ten minste het wettelijk minimumloon en dat appellant geen aannemelijk bewijs leverde dat hij geen inkomsten uit de hennepteelt had ontvangen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad oordeelde dat de schending van de inlichtingenplicht terecht leidde tot intrekking en terugvordering van de bijstand over de gehele periode. Ook het verweer dat melding aan het CWI volstond, werd verworpen omdat dit een ander bestuursorgaan betreft.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij recht had op bijstand over de betwiste periode. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenplicht door appellant.