ECLI:NL:CRVB:2013:BY9335
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vervolgaanvraag bijstand zelfstandigen wegens niet-levensvatbaar bedrijf
Appellante, die sinds 1989 een bijstandsuitkering ontving, startte medio december 2006 een cafébedrijf en vroeg in mei 2007 een uitkering aan op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Na een initiële toekenning voor 2007 vroeg zij in augustus 2009 een verlenging aan, maar leverde slechts gedeeltelijk de gevraagde financiële gegevens aan. Hierdoor stelde de commissie haar aanvraag aanvankelijk buiten behandeling, maar na het overleggen van ontbrekende stukken werd de aanvraag weer in behandeling genomen.
De commissie concludeerde dat het bedrijf niet levensvatbaar was omdat de omzet daalde en de activiteiten in juli 2010 werden gestaakt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beslissing ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat de beoordeling van de levensvatbaarheid op basis van de cijfers over 2007 had moeten plaatsvinden, toen het bedrijf nog levensvatbaar was.
De Raad oordeelde dat de beoordeling moet plaatsvinden over de periode van de aanvraag tot het besluit op bezwaar, omdat de aanvraag aanvankelijk buiten behandeling was gesteld. Appellante kon haar stelling over eerdere aanvragen niet onderbouwen. Gezien de negatieve resultaten in de relevante periode en het feit dat het bedrijf was gestaakt, was er geen sprake van een levensvatbaar bedrijf. De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de vervolgaanvraag en wees proceskosten af.
Uitkomst: De vervolgaanvraag Bbz 2004 wordt afgewezen omdat het cafébedrijf niet levensvatbaar is gebleken.