ECLI:NL:CRVB:2013:BY9159
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- W.H. Bel
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar het college stelde na onderzoek vast dat zij met appellant een gezamenlijke huishouding voerde vanaf 1 januari 2000 tot 21 januari 2010. Dit werd ondersteund door verklaringen van appellanten zelf, getuigen en bewijsstukken zoals loonstroken en bankafschriften.
Het college trok de bijstand in en vorderde de ten onrechte ontvangen bedragen terug, mede van appellant. Appellanten voerden aan dat de verklaringen onder druk waren afgelegd en dat het college niet zorgvuldig hun belangen had afgewogen, maar deze bezwaren werden verworpen.
De Raad oordeelde dat de wettelijke definitie van gezamenlijke huishouding was vervuld, dat de inlichtingenplicht was geschonden en dat het college bevoegd was tot intrekking en terugvordering. Ook werd geoordeeld dat de financiële gevolgen geen dringende reden vormden om hiervan af te zien.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat cassatie open bij de Hoge Raad.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenplicht.