ECLI:NL:CRVB:2013:BY8770
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten intrekking en terugvordering bijstand wegens ondeugdelijke grondslag gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder sinds 1 maart 2003. Het college stelde op basis van een tip en sociaal rechercheonderzoek dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met haar ex-echtgenoot, wat leidde tot intrekking en terugvordering van bijstand vanaf 1 maart 2003.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit gegrond en tegen het tweede ongegrond. Appellante ging in hoger beroep tegen de instandhouding van de rechtsgevolgen van het eerste besluit en de ongegrondverklaring van het tweede.
De Raad oordeelde dat onvoldoende feitelijke grondslag bestond om te concluderen dat appellante niet duurzaam gescheiden leefde van haar ex-echtgenoot in de periode 1 maart 2003 tot 7 maart 2005. Ook was er geen bewijs dat zij van 7 maart 2005 tot 1 februari 2009 een gezamenlijke huishouding voerden, omdat het ex-partner geen hoofdverblijf had in haar woning.
Daarom was het college niet bevoegd tot intrekking en terugvordering van bijstand over deze periode. De Raad vernietigde de bestreden besluiten en herroept het besluit van 28 juli 2009. Tevens veroordeelde de Raad het college in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand worden vernietigd wegens ondeugdelijke feitelijke grondslag.