ECLI:NL:CRVB:2013:BY8625
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag zonder reëel uitzicht op dienstverband
Appellante was sinds 1 januari 2003 in dienst bij werkgeefster 1 en vroeg op 26 januari 2009 ontslag aan per 1 september 2009. Hoewel zij later bij werkgeefster 2 in dienst trad, had zij ten tijde van haar ontslag geen reëel uitzicht op een dienstverband van ten minste 26 weken.
Het UWV wees haar aanvraag voor een WW-uitkering af omdat zij verwijtbaar werkloos was geworden. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat zij niet verwijtbaar werkloos was, onder meer omdat de startdatum van haar nieuwe dienstverband later was dan gepland.
De Raad oordeelde dat het ontbreken van een reëel vooruitzicht op een dienstverband van minimaal 26 weken en het feit dat de leidinggevende van appellante niet bereid was het bestaande arbeidspatroon voort te zetten, niet zodanige bezwaren vormden dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van haar kon worden verlangd. Daarom is appellante verwijtbaar werkloos geworden en is het beroep ongegrond.
Uitkomst: De aanvraag van appellante voor een WW-uitkering wordt afgewezen wegens verwijtbare werkloosheid.