ECLI:NL:CRVB:2013:995
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken verblijfstitel volgens AKW
Appellante, geboren in 1970 en van Chinese nationaliteit, verbleef vanaf mei 2006 in Nederland zonder geldige verblijfstitel. Haar aanvraag voor kinderbijslag werd door de Sociale verzekeringsbank (Svb) afgewezen omdat zij niet verzekerd was onder de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) vanwege het ontbreken van een verblijfstitel zoals vereist in artikel 6, tweede lid, AKW.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. Appellante voerde aan dat internationale verdragen, zoals het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), haar recht op kinderbijslag zouden beschermen, en dat haar situatie bijzondere omstandigheden kende omdat zij niet terug kon keren naar China.
De Raad overwoog dat het onderscheid naar verblijfsstatus in de AKW een legitiem doel dient en proportioneel is, zoals bevestigd door de Hoge Raad in een arrest van november 2012. Het beroep op internationale verdragen en bijzondere omstandigheden werd verworpen omdat de weigering van kinderbijslag geen disproportionele inbreuk vormt op het privé- en gezinsleven en omdat kinderbijslag geen zelfstandige aanspraak van het kind inhoudt.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit rechtmatig is en bevestigde de eerdere uitspraak. Er is geen aanleiding om af te wijken van het koppelingsbeginsel in de AKW, en het beroep op artikel 6a AKW werd eveneens afgewezen omdat dit artikel niet van toepassing is op de situatie van appellante.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag wegens het ontbreken van een rechtmatige verblijfstitel.