ECLI:NL:CRVB:2013:992
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken verblijfstitel volgens AKW
Appellante, van Marokkaanse nationaliteit, verbleef niet rechtmatig in Nederland en werd daarom uitgesloten van verzekering voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees haar aanvraag om kinderbijslag af en dit besluit werd door de rechtbank bevestigd.
In hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep deze beslissing. De Raad overwoog dat het onderscheid in artikel 6, tweede lid, AKW naar verblijfsstatus een legitiem doel dient en proportioneel is. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro en het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) slaagde niet, omdat geen sprake was van schrijnende omstandigheden die een positieve verplichting tot kinderbijslag oplegden.
De Raad verwees naar eerdere rechtspraak en het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012, waarin werd bevestigd dat het ontbreken van een verblijfstitel een objectieve en redelijke rechtvaardiging vormt voor uitsluiting van kinderbijslag. Het beroep op artikel 6a AKW faalde eveneens omdat dit artikel niet van toepassing is op situaties zonder verblijfsvergunning.
De uitspraak bevestigt dat de weigering van kinderbijslag op grond van verblijfsstatus niet in strijd is met internationale verdragen en dat de algemene uitsluiting gerechtvaardigd is. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag wegens het ontbreken van een rechtmatige verblijfstitel.