Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep ongegrond.
Centrale Raad van Beroep
Werkneemster trad in 2000 in dienst bij werkgeefster en beëindigde haar dienstverband in 2010 via een beëindigingsovereenkomst waarin zij op eigen verzoek ontslag nam. Werkgeefster maakte bezwaar tegen de toekenning van een WW-uitkering door het UWV, stellende dat werkneemster verwijtbaar werkloos was geworden omdat zij zelf ontslag had genomen.
De rechtbank oordeelde dat het ontslag op verzoek van werkneemster plaatsvond zonder dat voortzetting redelijkerwijs van haar kon worden gevergd, waardoor zij verwijtbaar werkloos was. De Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak en stelt dat het ontslag binnen het kader van een sociaal plan viel dat gericht was op bedrijfseconomische inkrimping, waarbij het initiatief bij de werkgever lag.
De Raad benadrukt dat het feit dat werkneemster een substantiële vergoeding ontving uit het sociaal plan niet automatisch betekent dat geen verwijtbare werkloosheid is, maar dat het UWV verplicht is te onderzoeken of de werknemer onder het sociaal plan viel en of het vertrek bijdroeg aan de reductie van overformatie. In dit geval was dat zo, en daarom was de WW-uitkering terecht toegekend.
De Raad verklaart het beroep van werkgeefster ongegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Werkneemster kon erop vertrouwen dat haar vertrek niet zou worden getoetst aan de verwijtbaarheidsnorm van artikel 24, tweede lid, WW.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep van werkgeefster ongegrond en bevestigt dat werkneemster terecht een WW-uitkering ontving.