ECLI:NL:CRVB:2013:814

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juli 2013
Publicatiedatum
3 juli 2013
Zaaknummer
10-6188 AWBZ-T
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 AwbArt. 21, zesde lid, Beroepswet
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep oordeelt over belangenafweging bij invordering eigen bijdrage AWBZ

Appellante verbleef vanaf februari 2008 in een zorginstelling en was eigen bijdrage verschuldigd voor AWBZ-zorg. CAK factureerde een bedrag van €3.043,84 over 2008 en juli 2009, waartegen appellante bezwaar maakte. CAK schold de helft van de eigen bijdrage over 2008 kwijt wegens late vaststelling, waardoor het resterende bedrag €1.763,67 bedroeg.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat CAK volgens haar voldoende inzicht had gegeven in de belangenafweging en de kwijtschelding van 50%. Appellante stelde in hoger beroep dat het kwijtscheldingspercentage willekeurig was, haar geestelijke gezondheidsschade onvoldoende was meegewogen en dat zij meermalen telefonisch was verteld dat zij over het eerste jaar geen eigen bijdrage verschuldigd was.

De Raad overwoog dat CAK de belangenafweging had beperkt tot objectieve richtlijnen en nagelaten had de specifieke omstandigheden van appellante, waaronder haar schizofrenie, zelfmoordpoging en opname in een gesloten inrichting, mee te wegen. Dit is in strijd met artikel 3:4 Awb Pro. Daarom draagt de Raad CAK op binnen zes weken het gebrek te herstellen en de belangenafweging opnieuw te maken met inachtneming van de persoonlijke situatie van appellante.

Uitkomst: CAK wordt opgedragen binnen zes weken het besluit te herstellen door de belangenafweging opnieuw te maken met inachtneming van de persoonlijke omstandigheden van appellante.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
10/6188 AWBZ-T
Meervoudige kamer
Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 7 oktober 2010, 10/1962 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)

CAK B.V. (CAK)

PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. drs. A.M. Engelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
CAK heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2013. Voor appellante zijn verschenen mr. A. Verbroekken, advocaat, en haar partner [partner appellante]. CAK is vertegenwoordigd door A.M.D. Burlage.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante verbleef vanaf 25 februari 2008 in een zorginstelling en ontving zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Voor die zorg was zij een eigen bijdrage verschuldigd.
1.2.
In een factuur van 11 augustus 2009 heeft CAK een te betalen bedrag voor eigen bijdrage opgevoerd. Daarin heeft CAK over de periode vanaf 25 februari 2008 tot en met december 2008 en over de maand juli 2009 een bedrag van € 3.043,84 gefactureerd. Appellante heeft tegen de factuur bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij besluit van 28 oktober 2009 heeft CAK het bezwaar deels gegrond verklaard. Hieraan heeft CAK ten grondslag gelegd dat het niet tijdig gehoor geven aan appellantes oproep om de eigen bijdrage over 2008 vast te stellen heeft geleid tot onevenredig zware gevolgen voor appellante. Daarom wordt de helft van de eigen bijdrage over 2008 kwijtgescholden. Het resterende bedrag van de factuur bedraagt € 1.763,67.
2.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij, samengevat, overwogen dat CAK bij de belangenafweging voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe zij, rekening houdend met de door appellante aangevoerde omstandigheden, tot een kwijtschelding van 50% heeft besloten.
3.
Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat het percentage van de kwijtschelding willekeurig is gekozen, dat de ernstige gevolgen voor haar geestelijke gezondheid door de perikelen met CAK niet afdoende zijn meegewogen en dat onvoldoende is meegewogen dat appellante meermalen telefonisch is verteld dat zij over het eerste jaar van haar opname geen eigen bijdrage was verschuldigd.
4.
De Raad overweegt het volgende.
4.1.
In geschil is of CAK bij het uitoefenen van zijn bevoegdheid tot invordering de belangen van appellante voldoende in aanmerking heeft genomen.
4.2.
Zoals de Raad al vaker heeft overwogen in zijn rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRvB
17 oktober 2007, LJN BB6940, en 13 augustus 2008, LJN BE8703) betreft de bevoegdheid om te beslissen over de invordering van een rechtmatig vastgestelde eigen bijdrage zowel de wijze van invorderen als het geheel of gedeeltelijk afzien van (verdere) invordering. Bij het uitoefenen van die bevoegdheid dient het geschreven en ongeschreven recht in aanmerking te worden genomen, daaronder begrepen de in artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde regel dat het bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen dient af te wegen, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. Daarbij geldt, ingevolge artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
4.3.
CAK heeft aan de hand van interne richtlijnen voor de belangenafweging als bedoeld in 4.2 toegelicht dat bij de invordering van een eigen bijdrage binnen twee jaar na aanvang van de periode waarover de eigen bijdrage geldt, CAK als regel tot gehele invordering overgaat. Hiervan wordt onder meer afgeweken indien de belanghebbende in de periode dat de eigen bijdrage niet werd vastgesteld hierover heeft geschreven of gebeld met CAK en CAK daarmee ten onrechte niets heeft gedaan. In deze situatie wordt een kwijtscheldingspercentage van 0 tot 50 gehanteerd. Een percentage van 50 is van toepassing als sprake is van een late vaststelling van de eigen bijdrage over 2008 en de belanghebbende daarover al (meermaals) aan de bel heeft getrokken bij CAK. Deze situatie is van toepassing in het geval van appellante, zodat CAK in overeenstemming met haar interne richtlijnen de kwijtschelding op 50% heeft vastgesteld.
4.4.
Appellante heeft aangevoerd dat zij vele malen heeft gebeld of laten bellen met CAK met de vraag of en, zo ja, hoeveel eigen bijdrage zij is verschuldigd, dat appellante telefonisch te horen heeft gekregen dat zij over het eerste jaar van haar opname geen eigen bijdrage zou zijn verschuldigd, dat zij de factuur voor de eigen bijdrage over 2009 al had betaald toen zij de in 1.2 genoemde factuur over 2008 heeft ontvangen en dat deze gang van zaken bij de vaststelling en invordering van de eigen bijdrage grote gevolgen heeft gehad voor haar geestelijke gezondheid. Ter zitting van de Raad is daarover naar voren gebracht dat appellante lijdt aan schizofrenie, dat zij als gevolg van de genoemde gang van zaken een zelfmoordpoging heeft ondernomen en dat zij is opgenomen in een gesloten inrichting waar zij op dit moment nog steeds verblijft.
4.5.
De Raad stelt vast dat CAK de belangenafweging bij de invordering van de eigen bijdrage heeft beperkt tot het hanteren van in richtlijnen neergelegde objectieve criteria en dat CAK ten onrechte heeft nagelaten om de specifieke omstandigheden van appellante als bedoeld in 4.4 in de belangenafweging te betrekken. Om die reden heeft CAK gehandeld in strijd met artikel 3:4, eerste lid, van de Awb.
5.
De Raad zal CAK met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet opdragen om het in 4.5 bedoelde gebrek te herstellen. De Raad stelt de termijn waarbinnen dat gebrek moet worden hersteld vast op zes weken na de datum waarop deze tussenuitspraak is gedaan.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt CAK op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 28 oktober 2009 te herstellen met inachtneming van wat is overwogen in deze tussenuitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en W.H. Bel en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2013.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) M.R. Schuurman
GdJ