ECLI:NL:CRVB:2013:2990

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 december 2013
Publicatiedatum
7 januari 2014
Zaaknummer
11-2440 ZVW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 69 ZvwArt. 43 ZvwVerordening (EEG) nr. 1408/71Art. 8:73 Awb
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens vervallen procesbelang buitenlandbijdrage Zvw

Appellant, woonachtig in Ierland, ontving een pensioen en uitkeringen van Robein Leven B.V. en werd door het College voor zorgverzekeringen (Cvz) aangeslagen voor een buitenlandbijdrage op deze uitkeringen op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw).

Appellant maakte bezwaar tegen deze aanslag, stellende dat de uitkeringen niet tot het bijdrage-inkomen behoren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de buitenlandbijdrage verschuldigd was. Appellant ging in hoger beroep.

Tijdens het hoger beroep trok Cvz het bestreden besluit in en stelde vast dat appellant geen buitenlandbijdrage verschuldigd was over de uitkeringen van Robein, gebaseerd op een nadere fiscale toelichting. Hierdoor verviel het procesbelang van appellant, waarna de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaarde.

Appellant stelde tevens dat de redelijke termijn was overschreden en verzocht om schadevergoeding. De Raad constateerde een overschrijding van ruim vier jaar en acht maanden en besloot het onderzoek te heropenen om deze schadevergoeding nader te beoordelen, waarbij de Staat der Nederlanden als partij wordt betrokken.

Tot slot werd Cvz veroordeeld in de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens vervallen procesbelang na gunstig besluit Cvz.

Uitspraak

11/2440 ZVW
Datum uitspraak: 11 december 2013
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
18 februari 2011, 09/5009 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats], Co. Cork (Ierland) (appellant)
College voor zorgverzekeringen (Cvz)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Cvz heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens heeft mr. J.B.A.M. de Haan zich als gemachtigde voor appellant gesteld.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Bosma. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. S.J.A. Rood.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant woont in Ierland. Hij ontvangt een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en uitkeringen van Robein Leven B.V. (Robein).
1.2.
Ingevolge de - met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden - Zorgverzekeringswet (Zvw) is appellant als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft hij op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo. 1408/71) recht op zorg in Ierland ten laste van Nederland. Voor dit recht op zorg is op grond van artikel 69 van Pro de Zvw een bijdrage verschuldigd (de buitenlandbijdrage).
1.3.
Bij besluit van 3 februari 2009 heeft Robein aan appellant meegedeeld dat zij van Cvz de opdracht heeft gekregen om op de uitkeringen van appellant de buitenlandbijdrage in te houden.
1.4.
Appellant heeft tegen het besluit van 3 februari 2009 bezwaar gemaakt en hierbij aangevoerd dat de uitkeringen van Robein niet tot het bijdrage-inkomen behoren waarover de buitenlandbijdrage verschuldigd is nu op deze uitkeringen geen loonheffing wordt ingehouden.
1.5.
Bij besluit van 22 september 2009 (bestreden besluit) heeft Cvz het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 februari 2009 ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat de uitkeringen van Robein tot het bijdrage-inkomen als bedoeld in artikel 43 van Pro de Zvw behoren en dat daarover de buitenlandbijdrage verschuldigd is.
3.1.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Appellant heeft wederom betwist dat de uitkeringen van Robein bij de berekening van de buitenlandbijdrage in aanmerking moeten worden genomen.
3.2.
Hangende het geding in hoger beroep heeft Cvz het bestreden besluit ingetrokken en daarvoor in de plaats een nieuw besluit van 11 april 2013 genomen. Cvz heeft hierbij het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 februari 2009 alsnog gegrond verklaard, omdat appellant geen buitenlandbijdrage is verschuldigd over de uitkeringen van Robein. De Belastingdienst heeft op 28 februari 2013 namelijk toegelicht dat de uitkeringen van Robein niet aangemerkt worden als lijfrente-uitkeringen maar als spaarpolisuitkeringen. De waarde van de spaarpolis valt volgens de Belastingdienst in box 3 en daarover is geen buitenlandbijdrage verschuldigd.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Eerst dient de vraag te worden beantwoord of appellant nog voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is hiervan sprake als het resultaat dat de indiener van het (hoger)beroepschrift met het indienen van het (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.
4.2.
Nu Cvz bij besluit van 11 april 2013 heeft vastgesteld dat appellant over de uitkeringen van Robein geen buitenlandbijdrage verschuldigd is, heeft appellant geen procesbelang meer bij de beoordeling van de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep moet dan ook
niet-ontvankelijk worden verklaard. Hetgeen appellant eerst na het besluit van 11 april 2013, waarin Cvz volledig aan appellant tegemoet is gekomen, te kennen heeft gegeven, te weten dat hij niet verdragsgerechtigd is, dat sprake is van een prevalerend recht in Ierland en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, moet worden bevestigd, ligt - nu het procesbelang is komen te vervallen - niet ter beoordeling van de Raad voor.
4.3.
Appellant heeft gewezen op de lange duur van de procedure en in dit kader de Raad verzocht hem schadevergoeding toe te kennen vanwege een schending van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van partijen en de aard van het besluit en het daardoor getroffen belang.
4.4.
Vanaf de ontvangst door Cvz van het bezwaarschrift op 23 april 2009 tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en bijna acht maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door Cvz vijf maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 2 november 2009 tot de uitspraak op 18 februari 2011 één jaar en ruim drie maanden geduurd en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 19 april 2011 tot deze uitspraak op 11 december 2013 twee jaar en bijna zeven maanden geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is geschonden.
4.5.
De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), moet worden beslist omtrent het verzoek van appellant om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van Pro de Awb merkt de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.
5.
De Raad ziet aanleiding om Cvz te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 708,- voor in hoger beroep beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt Cvz in de kosten van appellant tot een bedrag van € 708,-;
  • bepaalt dat het onderzoek onder het nummer 13/6446 BESLU wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van appellant om vergoeding van schade met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase en merkt de Staat der Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en A.J. Schaap en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013.
(getekend) R.M. van Male
(getekend) M.P. Ketting

CVG