ECLI:NL:CRVB:2013:2845
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens gezamenlijke huishouding met vriend
Appellant diende op 29 januari 2010 een aanvraag om bijstand in, welke door het college van burgemeester en wethouders van Utrecht werd afgewezen op grond van het voeren van een gezamenlijke huishouding met een vriend, [K.]. De sociale recherche voerde een onderzoek uit, waaronder een huisbezoek en een hoorzitting, waaruit bleek dat appellant en [K.] hun hoofdverblijf deelden en zorg voor elkaar droegen, onder meer door gezamenlijke huishoudelijke taken en kosten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de afwijzing ongegrond, en ook in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat appellant als gehuwd moest worden aangemerkt volgens artikel 3 van Pro de WWB. De Raad stelde vast dat de financiële afhankelijkheid en zorg voor elkaar voldoende waren om van een gezamenlijke huishouding te spreken, ongeacht het tijdelijke karakter van de financiële situatie.
Een tweede aanvraag van appellant op 10 mei 2010 werd eveneens afgewezen omdat geen sprake was van een wijziging van omstandigheden die recht zou geven op bijstand als alleenstaande. Het beroep op het individualiseringsbeginsel van artikel 18 WWB Pro werd verworpen omdat appellant geen bijzondere omstandigheden had aangetoond die een afwijking rechtvaardigen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de eerdere uitspraak van de rechtbank Utrecht en wees het hoger beroep van appellant af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvragen omdat appellant een gezamenlijke huishouding voert en als gehuwd wordt aangemerkt.