ECLI:NL:CRVB:2013:2669

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 december 2013
Publicatiedatum
4 december 2013
Zaaknummer
12-3495 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:629 BWArt. 29 ZWArt. 7:12 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering Ziektewetuitkering oproepkracht met arbeidsovereenkomst bepaalde tijd

Appellante had een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met haar werkgever, waarbij zij op oproepbasis werkte. De overeenkomst liep van 21 april 2010 tot 20 april 2011. Op 20 september 2010 meldde zij zich ziek. Het UWV weigerde haar een Ziektewetuitkering toe te kennen omdat zij volgens het UWV door meer dan drie oproepen een contract voor onbepaalde tijd had gekregen en de werkgever daarom verplicht was loon door te betalen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en onderschreef het standpunt van het UWV. In hoger beroep stelde appellante dat het aantal oproepen niet bepalend was, maar de contractuele status van haar arbeidsovereenkomst, die voor bepaalde tijd was en op 20 april 2011 afliep.

De Raad oordeelde dat partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd hadden gesloten waarbij de omvang van de werkzaamheden per oproep werd bepaald. De arbeidsovereenkomst eindigde op 20 april 2011. De werkgever was verplicht het loon door te betalen tot die datum. Daarom was het UWV terecht niet gehouden een Ziektewetuitkering toe te kennen vanaf 20 september 2010.

De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het UWV wegens strijd met het motiveringsvereiste van de Awb, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.

Uitkomst: Het besluit van het UWV tot weigering van de Ziektewetuitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

12/3495 ZW
Datum uitspraak: 4 december 2013
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 8 juni 2012, 11/279 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te[woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. H.F.A. Bronnenberg, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2013. Appellante en haar gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1.
Appellante en [naam werkgever] (werkgever) hebben op 21 april 2010 een overeenkomst gesloten die zij in de aanhef benoemen als arbeidsovereenkomst. In artikel 1 van Pro die overeenkomst is het volgende bepaald:
‘Werkgever verklaart dat zij op enig moment behoefte zou kunnen hebben aan door werknemer te verrichten arbeid, met het oog op in de onderneming te verrichten werkzaamheden. Daarbij is het aan werkgever te bepalen of zich werkzaamheden voordoen die rechtvaardigen een beroep op de arbeid van werknemer te doen. Werkgever is gehouden om, wanneer zij werknemer wil oproepen, dit te doen uiterlijk 24 uur voorafgaande aan het tijdstip waarop de werknemer wordt geacht de werkzaamheden aan te vangen. Werknemer verbindt zich in beginsel de werkzaamheden, na daartoe te zijn opgeroepen, te verrichten.’
Verder is in de overeenkomst opgenomen dat deze is aangegaan voor de duur van twaalf maanden en dat deze van rechtswege eindigt op 20 april 2011.
2.
Appellante is bij het Uwv ziekgemeld met ingang van 20 september 2010. Bij besluit van 20 oktober 2010 heeft het Uwv appellante niet in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) onder de overweging dat appellante meer dan drie keer is opgeroepen zonder onderbrekingen van meer dan drie maanden. Omdat op haar arbeidsverhouding geen CAO van toepassing is met een afwijkende bepaling heeft appellante volgens het Uwv vanaf de vierde oproep een contract voor onbepaalde tijd.
3.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 oktober 2010. Bij besluit van
8 februari 2011 (bestreden besluit) is dat bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat op 8 mei 2010 een dienstverband voor onbepaalde tijd is ontstaan omdat appellante tussen 21 april 2010 en 8 mei 2010 meer dan drie keer is opgeroepen. Het dienstverband liep volgens het Uwv door tijdens de periode van ziekte, hetgeen inhoudt dat de werkgever op grond van artikel 7:629, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), verplicht is het loon voor een tijdvak van 104 weken door te betalen. Onder verwijzing naar artikel 29, eerste lid, van de ZW heeft het Uwv daarom vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een ZW-uitkering.
4.
Tegen het bestreden besluit heeft appellante beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv onderschreven. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake was van een zogenoemde voorovereenkomst en dat appellante niet verplicht was gehoor te geven aan de oproep van de werkgever. Waar appellante wel gehoor gaf aan de oproep ontstond een arbeidsovereenkomst voor de duur van de oproep.
5.
In hoger beroep heeft appellante gesteld dat niet bepalend is het aantal oproepen, maar de status van de overeenkomst die appellante had. Het betreft volgens haar een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en deze loopt van rechtswege af. Zij stelt dat het Uwv daarom gehouden is om op het moment dat appellante niet meer wordt opgeroepen
ZW-uitkering te betalen.
6.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
6.1.
Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de tweede alinea van bladzijde twee van de aangevallen uitspraak.
6.2.
Uit artikel 1 van Pro de overeenkomst van 21 april 2010 volgt dat partijen een arbeidsovereenkomst hebben gesloten waarbij het aan de werkgever werd gelaten om te bepalen of gebruik zou worden gemaakt van de door appellante aangeboden arbeid. Het stond appellante daarbij niet vrij om een oproep van de werkgever te negeren; zij had zich blijkens de bewoordingen van die overeenkomst immers in beginsel verbonden om na een oproep de werkzaamheden te verrichten. Die bewoordingen duiden er op dat zij slechts met goede redenen de arbeid kon afwijzen en dat zij, zo die goede redenen er niet waren, verplicht was om aan een oproep gevolg te geven. De enige beperking die daaraan ten opzichte van de werkgever was gesteld, was dat deze een oproep uiterlijk 24 uur voorafgaande aan de aanvang van het werk kon doen. Aldus waren partijen over en weer gehouden zich te gedragen zoals een goed werkgever en een goed werknemer zich dienen te gedragen. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld was hier sprake van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd waarbij slechts de omvang van de werkzaamheden telkens afzonderlijk moest worden bepaald. Deze arbeidsovereenkomst kwam contractueel op 20 april 2011 ten einde. De motivering in het bestreden besluit is onjuist voor zover daarin is gesteld dat appellante op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd recht had op doorbetaling van loon.
6.3.
Het onder 6.2 overwogene brengt niet mee dat het Uwv gehouden zou zijn appellante met ingang van 20 september 2010 in aanmerking te brengen voor een ZW-uitkering. Appellante was op dat moment immers nog in dienst van de werkgever, zodat op de werkgever ingevolge artikel 7:629, eerste lid, van het BW, de verplichting rustte om haar het loon door te betalen. Aan die verplichting is eerst een einde gekomen op de tussen partijen overeengekomen beëindigingsdatum van 21 april 2011. Het Uwv heeft appellante daarom terecht niet in aanmerking gebracht voor een ZW-uitkering vanaf 20 september 2010.
6.4.
De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. Er is voorts aanleiding om de rechtsgevolgen van dat besluit in stand te laten.
7.
Er is aanleiding voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellante. Die kosten worden bepaald op de kosten van rechtsbijstand in beroep van € 944,- en in hoger beroep van € 472,-, in totaal € 1.416,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 8 februari 2011;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 8 februari 2011 geheel in stand blijven;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.416,-;
  • bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep van in totaal € 156,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en
M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2013.
(getekend) G.A.J. van den Hurk
(getekend) Z. Karekezi

EK