ECLI:NL:CRVB:2013:2529

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 november 2013
Publicatiedatum
21 november 2013
Zaaknummer
11-2564 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.1 Wsf 2000Art. 3.5 Wsf 2000Art. 7.1 Wsf 2000Art. 3 Awir
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herroeping intrekking toeslag één-oudergezin wegens onjuiste herziening

Betrokkene ontving een toeslag voor een één-oudergezin over de periodes maart 2007 tot juni 2008 en september 2008 tot mei 2009. Appellant, de Minister, trok deze toeslag in omdat betrokkene sinds haar huwelijk in 2006 niet duurzaam gescheiden leefde, een vereiste voor de toeslag. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende feitelijke onderbouwing en onvoldoende onderzoek naar de leefomstandigheden.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat duurzaam gescheiden leven volgens vaste jurisprudentie inhoudt dat partijen niet als partners samenleven, hetgeen in deze zaak niet het geval was. Betrokkene en haar echtgenoot woonden niet samen, maar hadden regelmatig contact en zorgden gezamenlijk voor de kinderen. Dit betekent dat betrokkene geen recht had op de toeslag.

Echter, de Raad oordeelde dat appellant de herziening van de toeslag alleen mocht doen als betrokkene wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat zij geen recht had op de toeslag. Uit een brief van appellant aan betrokkene bleek dat zij mocht vertrouwen op de toekenning. Daarom was de herziening onterecht en moesten de besluiten tot intrekking worden herroepen.

De Raad veroordeelde appellant tot betaling van de proceskosten van betrokkene en bevestigde de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden. De besluiten van 5 december 2009 werden herroepen en de uitspraak trad in de plaats van het besluit van appellant.

Uitkomst: De besluiten tot intrekking van de toeslag één-oudergezin worden herroepen omdat de herziening onterecht was.

Uitspraak

11/2564 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 14 april 2011, 10/777 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (appellant)
[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. A.A. Bouwman, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door
mr. Bouwman.
Omdat het onderzoek naar het oordeel van de Raad niet volledig is geweest, is het vooronderzoek heropend. De Raad heeft appellant bij brief van 25 april 2013 vragen gesteld, welke vragen door appellant zijn beantwoord bij brief van 15 mei 2013.
Partijen hebben vervolgens nog nadere informatie ingezonden.
Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend om een nadere zitting achterwege te laten.

OVERWEGINGEN

1.
Per 1 januari 2010 is de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (IB-Groep) in rechte opgevolgd door appellant. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan de
IB-Groep.
1.1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.2.
Betrokkene is op 3 juli 2006 gehuwd met[H.] ([H.]). Appellant heeft betrokkene in overeenstemming met haar aanvraag van 20 januari 2007 met ingang van februari 2007 een basisbeurs, inclusief toeslag voor een één-oudergezin, een aanvullende beurs en een Ov-studentenkaart toegekend.
1.3.
Naar aanleiding van een controle op de rechtmatigheid van de ontvangst van de toeslag voor een één-oudergezin heeft appellant bij besluiten van 5 december 2009 deze toeslag over de periode van 1 maart 2007 tot en met 30 juni 2008 en de periode van 1 september 2008 tot en met 31 mei 2009 (periodes in geding) ingetrokken, omdat betrokkene, nu zij vanaf 3 juli 2006 gehuwd is, niet voldoet aan de toekenningsvoorwaarden. Voorts heeft appellant de ten onrechte uitbetaalde toeslag van betrokkene tot een bedrag van in totaal € 10.691,- van haar teruggevorderd.
1.4.
Appellant heeft het tegen deze besluiten gemaakte bezwaar bij besluit van
18 februari 2010, gewijzigd bij besluit van 19 februari 2010 (bestreden besluit), onder verwijzing naar de artikelen 1.1, 3.5, 3.18 en 7.1, tweede lid onder a, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) en artikel 3 van Pro de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), ongegrond verklaard. Aan dat besluit heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene sinds 3 juli 2006 gehuwd is, dat uit het huwelijk twee kinderen zijn geboren en dat het jongste kind op 4 oktober 2009 is geboren, zodat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven en betrokkene geen recht had op de toeslag voor een één-oudergezin.
1.5.
Bij verweerschrift van 20 april 2010 heeft appellant vermeld dat voor de beide periodes in geding artikel 7.1, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000 aan de herziening ten grondslag is gelegd.
2.
De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant met inachtneming van de uitspraak opnieuw op het bezwaar van betrokkene beslist. De rechtbank heeft overwogen dat het bestreden besluit op een onvoldoende feitelijke grondslag berust om aan te kunnen nemen dat in de periode in geding sprake was van een situatie waarin betrokkene niet duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot. Betrokkene heeft gemotiveerd betwist dat in de periode in geding sprake was van een niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot. Tussen partijen is niet in geschil dat in deze periode de echtgenoot van betrokkene niet op haar adres stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA). Het bestreden besluit is slechts gebaseerd op de omstandigheid dat betrokkene sinds 3 juli 2006 is gehuwd en zij samen met haar echtgenoot twee kinderen heeft. Een nader onderzoek naar de omstandigheden van het geval heeft niet plaatsgevonden, zodat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze is voorbereid en onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd.
3.
Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.
3.1.
Ingevolge artikel 3.5, eerste lid, van de Wsf 2000, wordt aan een studerende zonder partner die een of meer kinderen heeft van jonger dan 18 jaren die niet tot het huishouden van een ander behoren, voor wie deze op grond van de Algemene Kinderbijslagwet aanspraak op kinderbijslag heeft, een toeslag voor een één-oudergezin toegekend. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling geldt vanaf 1 januari 2006, wordt verstaan onder partner: partner als bedoeld in artikel 3 van Pro de Awir. Artikel 3, eerste lid, onder a, van de Awir bepaalt dat partner van de belanghebbende is de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot of geregistreerde partner.
3.2.
In vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 7 juli 1992,
LJN AK9675, en 8 juli 2011, LJN BR1082) wordt aangesloten bij de uitleg die de Hoge Raad aan het begrip “duurzaam gescheiden leven” in zijn vaste rechtspraak (HR 10 februari 1960, RSV 1960/67) heeft gegeven.
3.3.
Op grond van de voorhanden zijnde gegevens, waaronder de verklaringen die betrokkene ter zitting van de Raad en ter zitting bij de rechtbank heeft afgelegd, kan niet worden gezegd dat in de in geding zijnde periode aan een van de door de Hoge Raad geformuleerde criteria voor “duurzaam gescheiden leven” is voldaan. Betrokkene is op 3 juli 2006 gehuwd met [H.] en uit dat huwelijk zijn twee kinderen geboren. Betrokkene heeft ter zitting van de Raad verklaard dat zij in 2011 wettig is gescheiden van [H.] en dat zij een scheidingsproces om geloofsredenen in 2008 niet heeft doorgezet. Op 4 oktober 2009 is hun tweede kind geboren, vooral omdat [H.] graag een tweede kind wilde. Ter zitting bij de rechtbank heeft betrokkene verklaard dat zij en [H.] in het begin heel even hebben samengewoond maar daarna niet meer. [H.] kwam wel onregelmatig, een tot twee keer per week of per maand, ’s avonds van zeven tot tien uur in de woning. Ook haalde [H.] hun dochter van de peuterschool. [H.] zag de kinderen wanneer het hem uitkwam. Het betoog van betrokkene dat zij en [H.] in de periode in geding niet in de GBA ingeschreven stonden op hetzelfde adres leidt niet tot een ander oordeel nu aan de inschrijving in de GBA geen doorslaggevende betekenis toekomt. Wel van belang is dat [H.] met ingang van 14 januari 2010 in de GBA met een briefadres op het adres van betrokkene ingeschreven stond.
3.4.
Hetgeen onder 3.1 tot en met 3.3 is overwogen betekent dat in de periode in geding niet sprake was van een situatie dat betrokkene en [H.] duurzaam gescheiden hebben geleefd, zodat in die periode sprake was van een partner in de zin van artikel 1.1 van de Wsf 2000 en artikel 3, eerste lid, onder a van de Awir en betrokkene ten onrechte een één-oudertoeslag heeft ontvangen. Nader onderzoek door appellant was niet nodig. De rechtbank heeft dat niet onderkend. De grieven van appellant zijn terecht voorgedragen.
3.5.
Hetgeen is overwogen in 3.4 leidt in het onderhavige geval evenwel niet tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.1.
Appellant heeft de toekenning van de toeslag voor een éénoudergezin uitdrukkelijk enkel herzien op de grond dat betrokkene wist dan wel redelijkerwijs kon weten dat deze toekenning onjuist was. Betrokkene heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat zij erop mocht vertrouwen dat zij aan de voorwaarden voor toekenning van de toeslag voor een één-oudergezin voldeed, althans dat zij niet redelijkerwijs kon weten dat zij op de toeslag geen recht had, en dat appellant de toekenning om deze reden niet mocht herzien.
4.2.
De Raad volgt betrokkene in haar standpunt en overweegt daartoe het volgende.
4.3. Vastgesteld kan worden dat appellant betrokkene in reactie op haar aanvraagformulier op 25 januari 2007 een brief heeft gezonden. Deze, aan betrokkene persoonlijk gerichte, brief vermeldt onder meer het volgende:
“Om te voorkomen dat je de toeslag na controle geheel of gedeeltelijk moet terugbetalen zetten we voor jou de voorwaarden om voor de éénoudertoeslag in aanmerking te komen in hoofdlijnen nog op een rij.
(…)
(…)
Je voert aantoonbaar als studerende zonder partner of met familieleden in de eerste graad
(dat kunnen uitsluitend je ouders zijn) een huishouding.
(…)”.
4.4.
Betrokkene heeft uit de brief van 25 januari 2007 mogen afleiden dat zij aan de wettelijke voorwaarden voor toekenning van de aangevraagde toeslag voldeed, nu zij - terwijl zij ook voldeed aan de andere vermelde voorwaarden - op het moment dat zij haar aanvraag indiende niet met haar echtgenoot een huishouding voerde. Dat de door appellant verstrekte informatie onjuist is (omdat het niet gezamenlijk voeren van een huishouding geen wettelijke voorwaarde voor toekenning van de toeslag is), hetgeen betrokkene volgens appellant zou hebben kunnen blijken uit andere informatiebronnen, brengt daarin geen verandering. De brief heeft betrokkene geen aanleiding hoeven geven nadere informatie in te winnen.
4.5.
Hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 leidt tot de conclusie dat appellant de besluiten waarbij aan betrokkene een toeslag voor een één-oudergezin over de periodes in geding is toegekend, niet mocht herzien op de grond dat betrokkene wist dan wel redelijkerwijs heeft kunnen weten dat zij geen recht had op deze toeslag, zodat het bestreden besluit in zoverre niet juist is.
4.6.
Dit betekent dat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden moet worden bevestigd, behoudens voor zover daarbij opdracht is gegeven tot het nemen van een nieuw besluit. De Raad zal de besluiten van 5 december 2009 waarbij de toekenning van een
één-oudertoeslag is herzien herroepen.
5.
Er bestaat aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden in het hoger beroep begroot op € 1.180,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarin opdracht is gegeven tot het nemen van een nieuw besluit;
  • herroept de besluiten van 5 december 2009, met kenmerk Bericht 2007, nr. 6, Bericht 2008, nr. 11, en Bericht 2009, nr. 7;
  • bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van
18 februari 2010;
- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.180,-.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2013.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) I.J. Penning

CVG