ECLI:NL:CRVB:2013:2483
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens niet opgegeven werkzaamheden
Appellant ontving vanaf 10 juli 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een anonieme melding stelde de gemeente ’s-Gravenhage een onderzoek in waaruit bleek dat appellant werkzaamheden verrichtte bij een bedrijf, zonder dit aan het college te hebben gemeld.
Het college besloot op 7 april 2011 de bijstand over de periode van 10 juli 2007 tot en met 20 december 2010 te herzien en de kosten van bijstand terug te vorderen. Na bezwaar werd dit bedrag verlaagd op basis van een verklaring dat appellant gemiddeld tien uur per week werkte tegen het minimumloon.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant voerde aan dat hij slechts koffie dronk en gezelschap hield, niet daadwerkelijk werkte, en dat hij lichamelijk niet in staat was de werkzaamheden te verrichten. De Raad oordeelde echter dat de verklaringen van het bedrijf en waarnemingen op het terrein voldoende bewijs leverden dat appellant daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verrichtte.
De Raad verwierp de bezwaren van appellant en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er was geen aanleiding om het college te verwijten dat het bevoegd was de bijstand te herzien en terug te vorderen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot herziening en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.