ECLI:NL:CRVB:2013:1924
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.R. Rottier
- M. Greebe
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over recht op uitkering na faillissement werkgever onder WW Hoofdstuk IV
Appellant was internationaal chauffeur en beëindigde zijn arbeidsovereenkomst met werkgeefster, die later failliet werd verklaard. Hij vorderde achterstallig loon, vakantiedagen en vakantietoeslag, welke door de kantonrechter werden toegewezen. Na het faillissement verzocht appellant het UWV om overname van betalingsverplichtingen op grond van Hoofdstuk IV van de WW, maar dit werd afgewezen omdat het UWV vond dat appellant niet tijdig en voortvarend had gehandeld.
De rechtbank bevestigde dit standpunt, maar in hoger beroep stelde appellant dat hij voldoende actie had ondernomen, waaronder het inschakelen van een deurwaarder en leggen van executoriaal derdenbeslag. De Raad beoordeelde dat appellant inderdaad tijdig, voldoende voortvarend en gericht had gehandeld om betaling te verkrijgen, maar dat door betalingsonmacht van werkgeefster de vorderingen niet konden worden geïnd.
De Raad concludeerde dat het UWV ten onrechte de uitkering had geweigerd op grond van artikel 62, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW en droeg het UWV op binnen zes weken een nieuwe beslissing te nemen over de omvang van het recht op uitkering conform artikel 64 van Pro de WW.
Uitkomst: Het UWV moet het besluit herzien en de omvang van het recht op uitkering vaststellen omdat appellant tijdig en voldoende voortvarend heeft gehandeld.