ECLI:NL:CRVB:2013:1917

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 oktober 2013
Publicatiedatum
2 oktober 2013
Zaaknummer
12-
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 1 WWB
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging bijstand wegens onvoldoende medewerking aan arbeidsinschakeling

Appellante ontving bijstand en was verplicht deel te nemen aan een arbeidsinschakelingstraject (WAA). Zij verscheen herhaaldelijk niet zonder geldige medische redenen en meldde zich niet altijd correct af. Het college van burgemeester en wethouders van Venlo verlaagde daarom haar bijstand met 50% in twee perioden wegens onvoldoende medewerking.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze verlagingen ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelt vast dat appellante niet heeft betwist dat zij op diverse data niet is verschenen en dat zij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat medische omstandigheden haar verhinderd hebben.

De Raad onderschrijft de motivering van de rechtbank dat het college terecht een maatregel heeft opgelegd en dat er geen reden is om van het verordeningsregime af te wijken. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe gronden aangevoerd. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 50% wegens onvoldoende medewerking aan arbeidsinschakeling wordt bevestigd.

Uitspraak

12/3259 WWB
Datum uitspraak: 1 oktober 2013
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond (rechtbank) van 29 mei 2012, 12/528 en 12/604 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2013. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M. Keus.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante was van 1 oktober 2010 tot 1 april 2011 werkzaam als facilitair medewerkster bistro gedurende 30 uur per week. Met ingang van 1 april 2011 ontving zij een uitkering ingevolge de Ziektewet in verband met (onder meer) buikklachten. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft bij het bij besluit van 4 november 2011 gehandhaafde besluit van 20 september 2011 besloten dat appellante met ingang van 1 oktober 2011 geen recht meer heeft op ziekengeld omdat zij per die datum arbeidsgeschikt wordt geacht voor haar arbeid als facilitair medewerkster. De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 27 april 2012 (11/1603) het beroep van appellante tegen dat besluit ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 augustus 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1336) heeft de Raad die uitspraak bevestigd.
1.2.
Appellante ontving sinds 6 oktober 2011 bijstand en voor haar golden in de periode hier van belang de verplichtingen tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB). Appellante is aangemeld voor een WAA-traject om te onderzoeken wat haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling zijn. Met appellante is afgesproken dat zij iedere maandag, woensdag en vrijdag van 8.00u tot 12.00u aanwezig is. Zij zou op maandag 25 januari 2012 starten met het traject.
1.3.
Op 25 januari 2012 is appellante niet begonnen bij de WAA. Zij heeft zich die dag ziek gemeld in verband met buikklachten. Op de nieuwe afspraak op 30 januari 2012 is zij niet verschenen. Zij heeft zich telefonisch afgemeld. Als reden heeft zij opgegeven dat zij zich die dag had verslapen. Op 6 februari 2012 heeft appellante telefonisch meegedeeld dat zij niet kon komen omdat zij last had van migraine.
1.4.
Nadat appellante op 8 en op 10 februari 2012 zonder afmelding niet was verschenen, heeft het college bij besluit van 15 februari 2012 (besluit 1) de bijstand van appellante over februari 2012 verlaagd met 50% op de grond dat appellante onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.
1.5.
Naar aanleiding van deze verlaging heeft een gesprek plaatsgevonden tussen appellante en haar werkcoach. Afgesproken is dat appellante bij de WAA zou starten op 5 maart 2012. Appellante is op 5 maart 2012 zonder opgaaf van reden niet verschenen. Op 7 maart en op
9 maart 2012 is zij, zonder bericht, ook niet verschenen. Bij besluit van 23 maart 2012, zoals gewijzigd bij besluit van 17 april 2012 (besluit 2), heeft het college de bijstand van appellante over april en mei 2012 verlaagd met 50% op de grond dat appellante onvoldoende meewerkt aan haar arbeidsinschakeling.
1.6.
Bij besluit van 1 mei 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen besluit 1 gegrond verklaard en de periode waarop de verlaging betrekking heeft bepaald op maart 2012. Het bezwaar tegen besluit 2 heeft het college ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
In hoger beroep heeft appellante, evenals in beroep, aangevoerd dat zij altijd heeft meegewerkt, zich aan alle afspraken heeft gehouden, zich altijd heeft afgemeld en dat zij vanwege haar ziekte niet in staat was om werkzaamheden te verrichten.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de hier van toepassing zijnde bepalingen van de WWB en de Afstemmingsverordening WWB gemeente Venlo (verordening) verwijst naar de aangevallen uitspraak.
4.1.
Appellante heeft niet betwist dat zij op 8 en 10 februari 2012, en op 5, 7 en 9 maart 2012 niet is verschenen bij de WAA.
4.2.
De rechtbank heeft geoordeeld dat niet gebleken is dat appellante op medische gronden niet in staat was deel te nemen aan het WAA-traject, dat appellante evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich steeds correct heeft afgemeld, dat het college gehouden was ter zake van de in geding zijnde gedragingen een maatregel op te leggen, en dat in de door appellante aangevoerde omstandigheden geen grond kan worden gevonden voor het standpunt dat het college van het in de verordening neergelegde regime had moeten afwijken en de opgelegde maatregelen nader diende af te stemmen. De rechtbank heeft haar oordeel, waaronder begrepen een oordeel over de verwijtbaarheid van de gedragingen, uitvoerig gemotiveerd. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel berust. Appellante heeft in hoger beroep slechts de eerder in bezwaar en beroep naar voren gebrachte gronden herhaald en daarbij niets nieuws aangevoerd.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en
A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2013.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) T.A. Meijering

HD