ECLI:NL:CRVB:2013:1731
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om maatschappelijke opvang voor uitgeprocedeerde asielzoeker
Verzoeker, een uitgeprocedeerde asielzoeker die tot ongewenst vreemdeling is verklaard, heeft bij het college van burgemeester en wethouders van Arnhem een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo en bijstand op grond van de WWB. Het college heeft de aanvraag beperkt toegekend en later geweigerd, waarna verzoeker bezwaar en beroep instelde. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen en tegen het besluit tot tijdelijke opvang niet-ontvankelijk en het beroep tegen de afwijzing van bijstand ongegrond.
In hoger beroep verzoekt verzoeker alsnog maatschappelijke opvang te verkrijgen. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker op de Vrijheidsbeperkende locatie (VBL) te [plaats] opvang genoot, maar daaruit uit eigen beweging vertrok. Er is geen geobjectiveerde noodzaak om de VBL te verlaten. De medische zorg op de VBL is passend, ook gezien het psychiatrisch rapport dat detentie kan verergeren. Verzoeker kan zich opnieuw melden bij de VBL en daar opvang ontvangen.
Gelet op zijn verblijfsstatus kan verzoeker geen aanspraak maken op maatschappelijke opvang in Arnhem. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Er is geen reden voor het college om maatschappelijke opvang te bieden en ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalt. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor maatschappelijke opvang wordt afgewezen.