ECLI:NL:CRVB:2013:1705
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- M. Hillen
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van bijstand in de vorm van een hypothecaire geldlening op grond van de WWB
Appellant heeft bijstand aangevraagd op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en verklaarde mee te werken aan een taxatie van zijn woning en het vestigen van een krediethypotheek indien nodig. Het college kende bijstand toe in de vorm van een hypothecaire geldlening, waarbij het maximum bedrag werd vastgesteld op €21.305,74, gebaseerd op de waarde van de woning en de hypothecaire schulden. Appellant stelde dat ook het negatieve saldo van zijn overige bezittingen en schulden in aanmerking genomen moest worden bij de bepaling van het vermogen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Raad oordeelde dat artikel 50, tweede lid, van de WWB en het systeem van de WWB geen grond bieden voor het meenemen van het negatieve saldo van overige bezittingen en schulden bij de bepaling van het bedrag van de bijstand in de vorm van een geldlening.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 10 september 2013.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat bijstand in de vorm van een geldlening wordt bepaald op basis van het vermogen gebonden in de eigen woning en wijst het hoger beroep af.