ECLI:NL:CRVB:2013:1304
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en huurde een kamer aan een uitkeringsadres. De verhuurder meldde dat appellant vanaf juli 2010 geen huur meer betaalde en niet meer op het adres verbleef. Het Team Fraudebestrijding voerde een onderzoek uit, waaronder een huisbezoek aan het adres van de zus van appellant, maar kon niet vaststellen waar appellant tussen 1 augustus en 5 oktober 2010 verbleef.
Het college besloot daarop de bijstand over de periode van 1 augustus tot 4 oktober 2010 in te trekken en de kosten van bijstand over augustus terug te vorderen. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens procedurele tekortkomingen maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn verblijfplaats wel vastgesteld kon worden en dat het huisbezoek onzorgvuldig was.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende duidelijkheid gaf over zijn verblijfplaats, zijn inlichtingenverplichting schond en dat het college bevoegd was tot intrekking en terugvordering. Het huisbezoek was zorgvuldig en de omstandigheden van appellant rechtvaardigden geen uitzondering op het terugvorderingsbeleid. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting.