Uitspraak
OVERWEGINGEN
1.4. Bij besluit van 10 september 2010 heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van
5.8. De onderzoeksbevindingen van de sociale recherche bieden een toereikende grondslag voor het standpunt dat [S. 1] gedurende de periode van 10 maart 2004 tot 17 juli 2006 zo vaak op het uitkeringsadres van appellante aanwezig was, dat niet meer gesproken kan worden van duurzaam gescheiden leven in voormelde zin. Voor deze conclusie komt betekenis toe aan de verklaringen die appellante heeft afgelegd in samenhang bezien met de getuigenverklaringen van de buurtbewoners. Appellante heeft verklaard dat [S. 1] na de verhuizing naar het adres [adres 2], in maart 2004, vaak bij haar was. Deze verklaring vindt steun in de op eigen waarnemingen berustende verklaringen van de getuigen A. [S. 2] en [B.], die onafhankelijk van elkaar en eensluidend onder meer hebben verklaard dat appellante en [S. 1] samen op het adres [adres 2] zijn komen wonen en de vrijwel hiermee overeenkomende verklaring van K. [S. 2] over deze periode. Appellante heeft ook verklaard dat zij voor [S. 1] kookte en de was streek.
.Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en uit hun relatie een kind is geboren.
5.12. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts één van de beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.
5.13. Het college heeft voor de periode vanaf 17 juli 2006 voldoende aannemelijk gemaakt dat appellante en [S. 1] hun hoofdverblijf hadden op het adres van appellante. Ook hier wordt met name betekenis gehecht aan de onder 5.8 genoemde verklaringen van appellante in samenhang bezien met de daarin genoemde verklaringen van de getuigen A. [S. 2] en [B.]. Appellante heeft op 21 april 2010 diverse keren verklaard dat [S. 1] ongeveer vier jaar bij haar woont. A. [S. 2] en [B.] hebben op 21 april 2010 verklaard dat appellante met haar man nu ongeveer 5 á 6 jaar respectievelijk ongeveer 6 jaar op nummer 80a woont.
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit van
- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.888,--;
- bepaalt dat het college het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 112,--