ECLI:NL:CRVB:2013:1029
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bevoegdheid college tot medeterugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante en betrokkene ontvingen bijstand als alleenstaande, maar het college stelde vast dat zij een gezamenlijke huishouding voerden op het adres van appellante. Na een onderzoek met waarnemingen, huisbezoek en verklaringen besloot het college de bijstand te herzien en de kosten mede terug te vorderen.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat het college ten onrechte een gezamenlijke huishouding aannam voor een deel van de periode, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde dat appellante en betrokkene hun hoofdverblijf hadden op het adres van appellante gedurende de relevante periode. Dit werd onderbouwd met verklaringen, waarnemingen en gegevens van de politie.
De Raad stelde vast dat betrokkene zijn inlichtingenverplichting had geschonden en dat het college daarom bevoegd was tot intrekking en terugvordering van bijstand. Dringende redenen om van medeterugvordering af te zien werden niet aangetoond. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraken bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de besluiten tot medeterugvordering bijstand worden bevestigd.