Appellante diende een aanvraag in voor een werkleeraanbod op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ) en maakte bezwaar tegen de weigering van een voorschot. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en wees het verzoek om onverwijlde bijstand af. Appellante stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar, maar de rechtbank verklaarde zich onbevoegd kennis te nemen van dit beroep.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college met de beslissing van 4 maart 2010 reeds op het bezwaar had beslist door het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. De termijnoverschrijding voor het indienen van beroep was niet verschoonbaar omdat appellante professioneel werd bijgestaan. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Verder werd het hoger beroep tegen de proceskostenvergoeding afgewezen vanwege het appelverbod, aangezien geen ernstige schending van de procesorde was aangetoond. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze niet op het tijdig beslissen had beslist en bevestigde de overige onderdelen. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep.