ECLI:NL:CRVB:2013:1022
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
De zaak betreft een geschil over de intrekking en terugvordering van bijstand aan appellante, waarbij het college van burgemeester en wethouders van Utrecht stelde dat appellante en appellant een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden, waardoor onterecht bijstand werd genoten.
Appellante en appellant stonden samen ingeschreven op twee adressen in Utrecht en appellant was gedurende een periode gedetineerd. Na zijn vrijlating verbleef hij bij appellante, die bijstand ontving. Een fraudemelding leidde tot een onderzoek met dossieronderzoek, waarnemingen en verhoren, waaruit bleek dat appellanten samenwoonden en appellant inkomsten genoot, waardoor het recht op bijstand verviel.
Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug, inclusief loonbelasting en premies. De rechtbanken verklaarden de beroepen van appellanten ongegrond, waarbij de verklaringen van appellante als consistent en betrouwbaar werden beoordeeld. De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraken en oordeelde dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden vanaf de vrijlating van appellant en dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden.
De Raad vond geen reden om het besluit van het college te vernietigen en verwierp de beroepsgronden, waaronder de stelling dat het verblijf in Duitsland een hoofdverblijf uitsloot. De brutering van de vordering was in overeenstemming met het beleid. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer en is openbaar.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het niet melden van gezamenlijke huishouding.