ECLI:NL:CRVB:2012:BY6016
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering WW-uitkering wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant stelde hoger beroep in tegen het besluit van het Uwv tot intrekking van zijn WW-uitkering en toeslag en de terugvordering van een bedrag van €68.557,56 over de periode van 22 juli 2002 tot 11 februari 2007. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak en de eerdere besluiten van het Uwv.
De Raad oordeelt dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door onjuiste en onvolledige informatie te verstrekken over zijn werkzaamheden als zelfstandige. Hoewel het Uwv een buitenwettelijk beleid hanteert waarbij een aantal vrij te laten uren wordt gehanteerd, is het geschatte aantal van vier uren per week redelijk en niet onjuist vastgesteld.
Appellant voerde aan dat er dringende redenen waren om terugvordering te matigen of achterwege te laten, onder meer vanwege de gevolgen van een strafrechtelijke veroordeling en het niet adequaat reageren van het Uwv op een fraudemelding. De Raad oordeelt echter dat deze omstandigheden geen onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen opleveren die terugvordering uitsluiten.
De Raad veroordeelt het Uwv tot betaling van de proceskosten van appellant en wijst vergoeding van griffierechten toe. Kosten voor een deskundige worden afgewezen vanwege het ontbreken van medewerking van appellant aan het onderzoek. Het beroep tegen het laatste besluit van het Uwv wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de WW-uitkering en toeslag wegens schending van de inlichtingenverplichting.