ECLI:NL:CRVB:2012:BY5360
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid ondanks zorgverplichtingen
Appellante sloot in september 2009 een arbeidsovereenkomst voor 32 uur per week, die zij in mei 2010 beëindigde. Zij trad vervolgens in dienst bij een andere werkgever, maar dit dienstverband eindigde in de proeftijd. Het UWV weigerde haar WW-uitkering met ingang van juni 2010 omdat zij verwijtbaar werkloos was geworden door ontslag zonder noodzaak.
Appellante maakte bezwaar en stelde dat haar ontslag verband hield met de zorg voor haar zoon met psychische problemen die in het weekend thuis was en opvang nodig had. Zij voerde aan dat haar werkgever geen aanpassing van werktijden mogelijk maakte, waardoor zij genoodzaakt was ontslag te nemen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellante onvoldoende bewijs leverde van overleg met haar werkgever of medische noodzaak.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. Ondanks het niet betwisten van de zorgbehoefte voor haar zoon, was niet duidelijk gemaakt wat de aard en omvang van de opvang was. Er was geen bewijs van pogingen tot overleg met de werkgever of verzoeken om werktijdaanpassing. De Raad oordeelde dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs van appellante kon worden gevergd en dat zij verwijtbaar werkloos was geworden.
Daarnaast wees de Raad het beroep op artikel 8 EVRM Pro af, omdat de regeling omtrent verwijtbare werkloosheid een toegestane beperking vormt in het belang van het economisch welzijn van het land. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid ondanks de zorgverplichtingen van appellante.